De zandrug of het rivierduin waarop Suolle ontstond is nog altijd herkenbaar
in de Sassenstraat. Het niveau van deze straat is namelijk veel hoger dat dat
van het Grote Kerkplein en van de Koestraat. En ook is er een duidelijk niveauverschil
te bemerken in de trappen van de Tijlspassage tussen de Melkmarkt of Grote Aa
en de Voorstraat. Toch was in het begin niet de Sassenstraat maar de Papenstraat
de belangrijkste straat van Zwolle. Niet voor niets noemden de stichters van
de stad, de oudgediende soldaten, deze straat naar hun keizer Karel de Grote:
de Keizerstraat. Oorspronkelijk liep de straat via tegenwoordige Roopoort en
Parkstraat over in het tegenwoordige Schellerpad naar het Kleine Veer. Zelfs
nu, na acht à tien eeuwen, zijn de sporen van deze oude heerweg nog niet helemaal
uitgewist. Ook de Praubstraat was indertijd het einde van zo'n oude handelsroute.
Vandaar bereikte men de moederstad Deventer via de tegenwoordige Zeven Alleetjes
over de nog altijd bestaande Oude Deventerweg bij Ittersum. Langs deze beide
straten vond men destijds verspreid staande lemen, met riet gedekte, boerderijen.
Het zuidelijke deel van de binnenstad is ook het oudste stadsdeel omdat het
vroegste Zwolle georiënteerd was op de IJssel en die stroomde toen waarschijnlijk
ter hoogte van het tegenwoordige NS-station.
Pas na de bedijking in 1308 kreeg deze rivier de tegenwoordige bedding ver van
het centrum. In 1230 werd een gedeelte van de marke Suolle tot stad verheven
en omheind met een houten pallisade. Dat deel heeft nu de tegenwoordige Luttekestraat
als westgrens, de Blijmarkt- Koestraat als zuidgrens, de Walstraat als oostgrens
en de toen nog open Grote Aa als noordgrens. Het kleine stadje werd in 1324
door de heer van Voorst verwoest, waarbij niet meer dan negen huizen overbleven.
Maar het stadsbestuur pakte de zaken flink aan en begon in 1330 met een nieuw
stadsrecht en met uitbreiding naar het westen. Nog altijd is het regelmatige,
schaakbordachtige stratenpatroon tussen de Luttekestraat en de Jufferenwal duidelijk
verschillen van het grillige stratenpatroon in het oude stadsdeel ten oosten
van de Luttekestraat. In het nieuwe, binnen de stadsomheining getrokken gedeelte
was de Voorstraat duidelijk de belangrijkste straat. Deze hoog bovenop een rivierduin
gelegen straat was via Mussenhage de voornaamste weg naar het westen, naar Voorst,
waar de straat naar genoemd is. Maar de heer van Voorst oefende dan ook heerlijke
rechten uit op deze weg en daarom werd de Voorstraat later als westelijke uitvalsweg
vervangen door de Kamperstraat met de toen gebouwde Kamperpoort. Vandaar voerde
de weg via kunstmatig opgeworpen dijken zoals Hoogstraat en Gasthuisdijk naar
Frankhuis en dus naar Hasselt en Kampen. Het nieuwe stadsdeel was geschikt voor
de bouw van grote huizen, maar de Voorstraat zelf was toen al zo dicht bebouwd
dat er geen plaats meer was voor de Mariakapel die men in navolging van Kampen
en Deventer in Zwolle wenste. In plaats van een hiervoor aangeboden huis in
de Voorstraat kocht het stadsbestuur voor dit doel de Hof te Zwolle, de tegenwoordige
Ossenmarkt. Deze Onze Lieve Vrouwekapel, later Onze Lieve Vrouwekerk genoemd,
is nooit uitgegroeid tot parochiekerk door haar ligging vlak bij de Michael-
of Grote Kerk die de parochiekerk was. Laatstgenoemde kerk kreeg overigens in
de 15e eeuw haar ingang aan de andere kant, dus naar de noorzijde. V¢¢r die
tijd, toen het zuidelijke deel van de binnenstad het belangrijkste was, had
de Grote Kerk haar ingang natuurlijk aan het Grote Kerkplein. In 1384 kreeg
Zwolle echter van Floris van Wevelinkhoven, destijds bisschop van Utrecht, de
gehele marke Dieze erbij. Met die enorme gebiedsuitbreiding kreeg de stad ook
ongeveer de tegenwoordige gemeentegrenzen. De Grote Aa was sindsdien niet meer
de noordgrens van de stad. Er werd nu een paalweg aangelegd naar de buurtschap
Dieze, die natuurlijk Diezerstraat genoemd werd, met de Diezerpoort ter hoogte
van de Kleine Aa als stadspoort. Vlak daarbuiten, op het toenmalige "industrieterrein"
tussen de Kleine Aa en de stadsgracht de tegenwoordige Thorbeckegracht, vond
men de Smeden. Want sinds 1402 was het de smeden verboden om hun brandgevaarlijke
bedrijf uit te oefenen in de toen nog grotendeels uit houten huizen bestaande
stad. Er werden systematisch in oost-west richting, evenwijdig aan de beide
Aa's, straten aangelegd zoals de Nieuwstraat, de Bitterstraat en de Waterstraat.
Pas een eeuw later, rond 1480, vond een nieuwe stadsuitbreiding plaats, en wel
tot aan de tegenwoordige Thorbeckegracht. Toen kreeg Zwolle ook de stadsmuur
die nu gerestaureerd wordt met uiteraard een nieuwe Diezerpoort. De Sassenpoort
bleef de zuidelijke toegangspoort. De eerste poort van die naam lag overigens
vijfentwintig meter westelijk van de tegenwoordige. Daardoor kwam men in de
Kromme Jak, oorspronkelijk "Jat", wat onaanzienlijke buurt betekent.
De koeien en de schapen van de stadsboeren werden namelijk 's morgens om vier
uur, bij het openen van de Sassenpoort, uit hun stallen langs de zuidelijke
stadsmuur naar de gemeenschappelijke stadsweide in Assendorp gedreven. 's Avonds
kwamen de dieren, voor het sluiten van de stadspoort, om negen uur, langs dezelfde
weg terug in de veilige stad en in hun stallen.
Hoe belangrijk de handelsfunktie was die het tegenwoordige stadscentrum na 1384
kreeg blijkt uit de vele overkluizingen van de Grote Aa. Voor het eerst gebeurde
dit in 1437 waarbij de Grote Markt ontstond. Een keur van 1463 laat zien dat
er toen al vijf overkluizingen en overbruggingen waren van de Grote Aa, die
overigens nog altijd stroomt onder Gasthuisplein, Oude Vismarkt en Melkmarkt.
Deze markten waren onderling verbonden door kaden met kademuren uit Bentheimer
steen.
Toen evenwel rond ca. 1500 de nu nog bestaande stadsmuur langs de tegenwoordige
Thorbeckegracht kwam te liggen, werd vanaf dat moment de vaarroute langs de
Thorbeckegracht belangrijker dan de Grote Aa, die met al zijn overkluizingen
teveel belemmeringen opleverde. Vis bijvoorbeeld, het middeleeuwse volksvoedsel
bij uitstek, werd via de stadsgracht bij de Vispoort aangevoerd en via de Roggenstraat
en de Krabbenstraat naar de Oude Vismarkt gebracht en dus niet via de Grote
Aa waaraan de Oude Vismarkt toch gelegen is! Ook diverse huisnamen zoals de
Meermin bewijzen dit.
Na de laat 15e eeuwse uitbreiding beperkte Zwolle zich voorlopig tot verbetering
van de verdedigingswerken. Aan de zuidzijde van de stad was een dubbele, zelfs
driedubbele muur, maar vooral de noordelijke stadsmuur was minder sterk. Er
moest dus ten noorden van de Thorbeckegracht een verdedigingsstelsel komen omdat
men moeilijk de doorvaart en aanleg van schepen kon onderbreken. En er moesten
bastions komen omdat Prins Maurits na de inname van Zwolle in 1591 een frontier-
en scharniervesting van de stad wilde maken in een linie. Die linie liep vanaf
Nieuweschans via Bourtange en Coevorden over de Ommerschans en het fort Kijk
in de Vecht bij de uitmonding van de Vecht in het Zwartewater naar de IJssellinie.
De stad werd namelijk met de IJssel verbonden via een linie met als versterkingen
de Luurderschans, Spoolderbergschans, Nieuwe Schans (Engelse Werk) en Katerschans
(bij het Katerveer). In grote trekken dus zoals de Willemsvaart tegenwoordig
loopt. Dit gigantische plan werd in 1621 voltooid. Ingenieur Antonisse gaf Zwolle
vijf bastions aan de noordkant terwijl de zuidkant alleen maar met bolwerken
behoefde te worden omgeven. Waarschijnlijk heeft men de noordelijke stadsmuur
niet afgebroken omdat deze voor het noordelijke stadsdeel een waterkerende funktie
had bij noordwester storm. Wel werden er aan de buitenkant de zgn. overstekhuisjes
tegenaan gebouwd. Het water van het Zwartewater werd dan, in plaats van af te
vloeien naar de Zuiderzee, juist naar de stad opgestuwd waardoor veel overlast
kon ontstaan. Het terrein tussen de beide zuidelijke stadsmuren werd bij de
aangrenzende huizen getrokken, zodat na de 17e eeuw aan de zuidzijde van de
Blijmarkt en de Koestraat royale herenhuizen konden verrijzen. Het hoornwerk
buiten de Sassenpoort, goed zichtbaar op de stadsplattegrond van Blaeu, herkent
men nog altijd in het tracé van de Van Karnebeekstraat, de Zuiderkerkstraat
en de Zeven Alleetjes.
In de binnenstad zelf werd na de hervorming het terrein van het Bethlehemklooster
verkaveld en werd de Nieuwe Markt aangelegd, die verbinding kreeg met de serie
markten langs de Grote Aa.
Vlak voor de drie stadspoorten ontstonden lintvormige bebouwingen, de zogenaamde
voorsteden. Toen Zwolle na 1790 ophield vestingstad te zijn, werd de bebouwing
buiten de stad met haar molens, touwbanen en blekerijen steeds meer uitgebreid.
In 1843 woonden er al 5.500 mensen buiten de wallen. Er waren daar in drie jaar
ruim driehonderd huizen gebouwd. Daarom besloot het stadsbestuur toen ook de
voorsteden binnen het stedelijk belastinggebied te trekken.
De aanleg van de spoorlijn 20 jaar later had in de eerste plaats tot gevolg
dat de welgestelden zich gingen vestigden in de lanen, die ontstonden vanaf
de Koestraat tot aan het nieuwe station. In de tweede plaats groeide Assendorp,
dat sinds 1819 geen gemeenschappelijke weide meer was, uit tot de eerste Zwolse
arbeiderswijk door de komst van een centrale werkplaats voor de spoorwegen.
Rond 1900 ontstonden voor de middenklassen de wijken Veerallee en Wipstrikkerallee.
Na de Tweede Wereldoorlog steeg het aantal inwoners zo snel dat Zwolle zich
met de ene na de andere wijk moest uitbreiden, na 1945 eerst bij de Meppelerstraatweg,
dan sinds 1955 de wijk Holtenbroek, sinds 1965 de Aa-landen en sinds 1975 Zwolle-Zuid.