[Inhoudsopgave]

Hoofdstuk 9. De stedebouwkundige ontwikkeling


De zandrug of het rivierduin waarop Suolle ontstond is nog altijd herkenbaar in de Sassenstraat. Het niveau van deze straat is namelijk veel hoger dat dat van het Grote Kerkplein en van de Koestraat. En ook is er een duidelijk niveauverschil te bemerken in de trappen van de Tijlspassage tussen de Melkmarkt of Grote Aa en de Voorstraat. Toch was in het begin niet de Sassenstraat maar de Papenstraat de belangrijkste straat van Zwolle. Niet voor niets noemden de stichters van de stad, de oudgediende soldaten, deze straat naar hun keizer Karel de Grote: de Keizerstraat. Oorspronkelijk liep de straat via tegenwoordige Roopoort en Parkstraat over in het tegenwoordige Schellerpad naar het Kleine Veer. Zelfs nu, na acht à tien eeuwen, zijn de sporen van deze oude heerweg nog niet helemaal uitgewist. Ook de Praubstraat was indertijd het einde van zo'n oude handelsroute. Vandaar bereikte men de moederstad Deventer via de tegenwoordige Zeven Alleetjes over de nog altijd bestaande Oude Deventerweg bij Ittersum. Langs deze beide straten vond men destijds verspreid staande lemen, met riet gedekte, boerderijen. Het zuidelijke deel van de binnenstad is ook het oudste stadsdeel omdat het vroegste Zwolle georiënteerd was op de IJssel en die stroomde toen waarschijnlijk ter hoogte van het tegenwoordige NS-station.
Pas na de bedijking in 1308 kreeg deze rivier de tegenwoordige bedding ver van het centrum. In 1230 werd een gedeelte van de marke Suolle tot stad verheven en omheind met een houten pallisade. Dat deel heeft nu de tegenwoordige Luttekestraat als westgrens, de Blijmarkt- Koestraat als zuidgrens, de Walstraat als oostgrens en de toen nog open Grote Aa als noordgrens. Het kleine stadje werd in 1324 door de heer van Voorst verwoest, waarbij niet meer dan negen huizen overbleven. Maar het stadsbestuur pakte de zaken flink aan en begon in 1330 met een nieuw stadsrecht en met uitbreiding naar het westen. Nog altijd is het regelmatige, schaakbordachtige stratenpatroon tussen de Luttekestraat en de Jufferenwal duidelijk verschillen van het grillige stratenpatroon in het oude stadsdeel ten oosten van de Luttekestraat. In het nieuwe, binnen de stadsomheining getrokken gedeelte was de Voorstraat duidelijk de belangrijkste straat. Deze hoog bovenop een rivierduin gelegen straat was via Mussenhage de voornaamste weg naar het westen, naar Voorst, waar de straat naar genoemd is. Maar de heer van Voorst oefende dan ook heerlijke rechten uit op deze weg en daarom werd de Voorstraat later als westelijke uitvalsweg vervangen door de Kamperstraat met de toen gebouwde Kamperpoort. Vandaar voerde de weg via kunstmatig opgeworpen dijken zoals Hoogstraat en Gasthuisdijk naar Frankhuis en dus naar Hasselt en Kampen. Het nieuwe stadsdeel was geschikt voor de bouw van grote huizen, maar de Voorstraat zelf was toen al zo dicht bebouwd dat er geen plaats meer was voor de Mariakapel die men in navolging van Kampen en Deventer in Zwolle wenste. In plaats van een hiervoor aangeboden huis in de Voorstraat kocht het stadsbestuur voor dit doel de Hof te Zwolle, de tegenwoordige Ossenmarkt. Deze Onze Lieve Vrouwekapel, later Onze Lieve Vrouwekerk genoemd, is nooit uitgegroeid tot parochiekerk door haar ligging vlak bij de Michael- of Grote Kerk die de parochiekerk was. Laatstgenoemde kerk kreeg overigens in de 15e eeuw haar ingang aan de andere kant, dus naar de noorzijde. V¢¢r die tijd, toen het zuidelijke deel van de binnenstad het belangrijkste was, had de Grote Kerk haar ingang natuurlijk aan het Grote Kerkplein. In 1384 kreeg Zwolle echter van Floris van Wevelinkhoven, destijds bisschop van Utrecht, de gehele marke Dieze erbij. Met die enorme gebiedsuitbreiding kreeg de stad ook ongeveer de tegenwoordige gemeentegrenzen. De Grote Aa was sindsdien niet meer de noordgrens van de stad. Er werd nu een paalweg aangelegd naar de buurtschap Dieze, die natuurlijk Diezerstraat genoemd werd, met de Diezerpoort ter hoogte van de Kleine Aa als stadspoort. Vlak daarbuiten, op het toenmalige "industrieterrein" tussen de Kleine Aa en de stadsgracht de tegenwoordige Thorbeckegracht, vond men de Smeden. Want sinds 1402 was het de smeden verboden om hun brandgevaarlijke bedrijf uit te oefenen in de toen nog grotendeels uit houten huizen bestaande stad. Er werden systematisch in oost-west richting, evenwijdig aan de beide Aa's, straten aangelegd zoals de Nieuwstraat, de Bitterstraat en de Waterstraat.
Pas een eeuw later, rond 1480, vond een nieuwe stadsuitbreiding plaats, en wel tot aan de tegenwoordige Thorbeckegracht. Toen kreeg Zwolle ook de stadsmuur die nu gerestaureerd wordt met uiteraard een nieuwe Diezerpoort. De Sassenpoort bleef de zuidelijke toegangspoort. De eerste poort van die naam lag overigens vijfentwintig meter westelijk van de tegenwoordige. Daardoor kwam men in de Kromme Jak, oorspronkelijk "Jat", wat onaanzienlijke buurt betekent. De koeien en de schapen van de stadsboeren werden namelijk 's morgens om vier uur, bij het openen van de Sassenpoort, uit hun stallen langs de zuidelijke stadsmuur naar de gemeenschappelijke stadsweide in Assendorp gedreven. 's Avonds kwamen de dieren, voor het sluiten van de stadspoort, om negen uur, langs dezelfde weg terug in de veilige stad en in hun stallen.
Hoe belangrijk de handelsfunktie was die het tegenwoordige stadscentrum na 1384 kreeg blijkt uit de vele overkluizingen van de Grote Aa. Voor het eerst gebeurde dit in 1437 waarbij de Grote Markt ontstond. Een keur van 1463 laat zien dat er toen al vijf overkluizingen en overbruggingen waren van de Grote Aa, die overigens nog altijd stroomt onder Gasthuisplein, Oude Vismarkt en Melkmarkt. Deze markten waren onderling verbonden door kaden met kademuren uit Bentheimer steen.
Toen evenwel rond ca. 1500 de nu nog bestaande stadsmuur langs de tegenwoordige Thorbeckegracht kwam te liggen, werd vanaf dat moment de vaarroute langs de Thorbeckegracht belangrijker dan de Grote Aa, die met al zijn overkluizingen teveel belemmeringen opleverde. Vis bijvoorbeeld, het middeleeuwse volksvoedsel bij uitstek, werd via de stadsgracht bij de Vispoort aangevoerd en via de Roggenstraat en de Krabbenstraat naar de Oude Vismarkt gebracht en dus niet via de Grote Aa waaraan de Oude Vismarkt toch gelegen is! Ook diverse huisnamen zoals de Meermin bewijzen dit.

Na de laat 15e eeuwse uitbreiding beperkte Zwolle zich voorlopig tot verbetering van de verdedigingswerken. Aan de zuidzijde van de stad was een dubbele, zelfs driedubbele muur, maar vooral de noordelijke stadsmuur was minder sterk. Er moest dus ten noorden van de Thorbeckegracht een verdedigingsstelsel komen omdat men moeilijk de doorvaart en aanleg van schepen kon onderbreken. En er moesten bastions komen omdat Prins Maurits na de inname van Zwolle in 1591 een frontier- en scharniervesting van de stad wilde maken in een linie. Die linie liep vanaf Nieuweschans via Bourtange en Coevorden over de Ommerschans en het fort Kijk in de Vecht bij de uitmonding van de Vecht in het Zwartewater naar de IJssellinie. De stad werd namelijk met de IJssel verbonden via een linie met als versterkingen de Luurderschans, Spoolderbergschans, Nieuwe Schans (Engelse Werk) en Katerschans (bij het Katerveer). In grote trekken dus zoals de Willemsvaart tegenwoordig loopt. Dit gigantische plan werd in 1621 voltooid. Ingenieur Antonisse gaf Zwolle vijf bastions aan de noordkant terwijl de zuidkant alleen maar met bolwerken behoefde te worden omgeven. Waarschijnlijk heeft men de noordelijke stadsmuur niet afgebroken omdat deze voor het noordelijke stadsdeel een waterkerende funktie had bij noordwester storm. Wel werden er aan de buitenkant de zgn. overstekhuisjes tegenaan gebouwd. Het water van het Zwartewater werd dan, in plaats van af te vloeien naar de Zuiderzee, juist naar de stad opgestuwd waardoor veel overlast kon ontstaan. Het terrein tussen de beide zuidelijke stadsmuren werd bij de aangrenzende huizen getrokken, zodat na de 17e eeuw aan de zuidzijde van de Blijmarkt en de Koestraat royale herenhuizen konden verrijzen. Het hoornwerk buiten de Sassenpoort, goed zichtbaar op de stadsplattegrond van Blaeu, herkent men nog altijd in het tracé van de Van Karnebeekstraat, de Zuiderkerkstraat en de Zeven Alleetjes.
In de binnenstad zelf werd na de hervorming het terrein van het Bethlehemklooster verkaveld en werd de Nieuwe Markt aangelegd, die verbinding kreeg met de serie markten langs de Grote Aa.
Vlak voor de drie stadspoorten ontstonden lintvormige bebouwingen, de zogenaamde voorsteden. Toen Zwolle na 1790 ophield vestingstad te zijn, werd de bebouwing buiten de stad met haar molens, touwbanen en blekerijen steeds meer uitgebreid. In 1843 woonden er al 5.500 mensen buiten de wallen. Er waren daar in drie jaar ruim driehonderd huizen gebouwd. Daarom besloot het stadsbestuur toen ook de voorsteden binnen het stedelijk belastinggebied te trekken.
De aanleg van de spoorlijn 20 jaar later had in de eerste plaats tot gevolg dat de welgestelden zich gingen vestigden in de lanen, die ontstonden vanaf de Koestraat tot aan het nieuwe station. In de tweede plaats groeide Assendorp, dat sinds 1819 geen gemeenschappelijke weide meer was, uit tot de eerste Zwolse arbeiderswijk door de komst van een centrale werkplaats voor de spoorwegen.
Rond 1900 ontstonden voor de middenklassen de wijken Veerallee en Wipstrikkerallee. Na de Tweede Wereldoorlog steeg het aantal inwoners zo snel dat Zwolle zich met de ene na de andere wijk moest uitbreiden, na 1945 eerst bij de Meppelerstraatweg, dan sinds 1955 de wijk Holtenbroek, sinds 1965 de Aa-landen en sinds 1975 Zwolle-Zuid.

Hoofdstuk 10

[Inhoudsopgave]