In 1980 herdenken wij dat Zwolle 750 jaar geleden stadsrecht ontving. Symbool
bij uitstek voor dat "stad-zijn" is de stadsmuur met zijn poorten
die de nederzetting destijds op grond van het stadsrecht mocht bouwen. Een goede
reden om de Sassenpoort te kiezen als symbool voor de festiviteiten van 1980.
Dit des te meer omdat de poort eigenlijk altijd al een statussymbool voor het
stad-zijn is geweest. De te grote afmetingen van de Sassenpoort in verhouding
tot de muren tonen dat aan. Oorspronkelijk zag de, uit het begin van de 15e
eeuw daterende Sassenpoort er anders uit dan nu. Het klokketorentje werd bijv.
in 1732 aangebracht. Wel zijn nog aan de buitenzijde in de vloer van de overdekte
weergang de werpgaten te zien waardoor men bij belegeringen de vijand kon bestoken
met kokende olie en pek. De Sassenpoort is de enige Zwolse stadspoort die nog
intact is. Van de Steenpoort is nog slechts een fragment over evenals van de
Diezerpoort, waarvan de omtrekken verder aangegeven zijn in het plaveisel. Van
de 23 torens van de stadsmuur zijn alleen nog de Zwanetoren, de Wijndragerstoren
en de Pelserpoorttoren over. Maar één keer heeft de Zwolse stadsmuur echt een
beleg moeten doorstaan. Daar ging het volgende aan vooraf.
In het begin van de 16e eeuw ging het handelsverkeer steeds meer via de Vecht
en het Zwartewater. Het Zwartewater werd namelijk steeds belangrijker omdat
de IJssel bij Kampen verzandde. Het gevolg was dat Zwolle een steeds groter
deel van de handel van Duitsland naar Holland naar zich toetrok. Kampen besloot
om haar IJsseltol te verplaatsen naar de monding van het Zwartewater. Zwolle,
dat daar geen tol wenste, nam dit niet. De keizer en de landsheer, de bisschop
van Utrecht, steunden Kampen. Daarop werd Zwolle in 1520 haar landsheer ontrouw.
Sindsdien waren de Zwollenaren dus meinedig omdat zij zich niet hielden aan
de eed van trouw, gezworen aan de landsheer. Sindsdien werden zij blauwvingers
genoemd.
De Zwollenaren zochten en vonden steun bij hertog Karel van Gelre. Maar hij
stelde als voorwaarde dat Zwolle hem als landsheer zou erkennen. Dit gebeurde
maar de oorlog met Kampen bleef woeden en legde de handel stil. Dat betekende
o.a. dat de armoede en honger onder de Zwolse bevolking schrikbarend steeg en
daarmee ook de ontevredenheid. Tenslotte, in 1524, kwam de bevolking in opstand
en zette het Geldersgezinde stadsbestuur af. Zwolle kwam weer onder de bisschop
van Utrecht.
Karel van Gelre was daar woedend over en deed een aanval op de stad. Maar de
Zwolse bevolking lokte hem in de val. Zodra de hertog tussen de binnen- en de
buiten-Sassenpoort gekomen was werden de poorten gesloten. In die situatie kon
men de hertog gemakkelijk beloften afdwingen. Hij hield zich daar echter na
zijn vrijlating niet aan en hij begon de stad te belegeren. Dat is het enige
beleg dat Zwolle ooit te verduren heeft gehad. Dankzij de verwoede tegenstand
van de Zwollenaren duurde het maar maar 24 dagen. Toen moest de hertog het beleg
opbreken, hoewel hij met zijn kanonnen al finke bressen in de noordelijke muur
had geschoten.
Gelukkig zijn er nog meer bouwwerken bewaard gebleven uit de 15e eeuw, o.a.
het stadhuis en verschillende kerken. In de 14e eeuw was er maar een heel klein
stadhuis in de Sassenstraat. Daarnaast kende men een stadswaakhuis in de Voorstraat,
een verzamelplaats voor de verdedigers van de stad. In de 15e eeuw begon het
stadsbestuur aan het stadhuis grenzende huizen op te kopen. In 1449 kon het
door drie middeleeuwse huizen gevormde nieuwe stadhuis met een mis worden ingewijd.
Het had aan de kant van het Grote Kerkplein een toren en een bordes voor het
doen van afkondigingen, maar de drie huizen waren nog als zodanig te herkennen.
Het waren het nu afgebroken Wijnhuis, Het Meentehuis en het Dirk Mosterdhuis
waar een grote walvisrib aan de gevel hing.
Berend van Koblenz was de architect van het stadhuis, maar ook Arend van Calcar
heeft er het nodige toe bijgedragen. Van dit eerste Zwolse stadhuis zijn nu
nog de kelders over en natuurlijk de schepenzaal die nu dienst doet als trouwzaal.
Vooral de in hout gebeeldhouwde figuren onder de moerbalken, de zogenaamde bassen,
van deze zaal zijn interessant.
Zij zijn gemaakt door meester Johan van Kampen. Eén daarvan stelt Berend van
Koblenz voor, een andere de leider van de eerste groep zigeuners die destijds
juist in Zwolle aankwam. In de schepenzaal zijn ook vier in de wand ingebouwde
laatgotische kastjes te zien die Johan van Lubeck heeft vervaardigd. In deze
zogenaamde spinden, waarvan er oorspronkelijk zes waren, bewaarden de kameraars
de geldmiddelen van de stad. Ook twee 15e eeuwse kaarsenkronen dateren uit de
tijd van de bouw van het stadhuis. De drie stadszwaarden, waarmee de beul vroeger
zijn werk deed, zijn van later datum.
In 1821 werd het stadhuis ingrijpend veranderd. Er kwam voor de oorspronkelijke
middeleeuwse huizen een saaie 19e eeuwse gevel. Het Wijnhuis werd in 1863 gesloopt
zodat er een doorgang kwam tussen de Korte-Ademhalingssteeg en het Grote Kerkplein.
De steeg dankt haar naam aan het feit dat ter dood veroordeelden hierdoor liepen
op hun laatste gang vanaf de schepenzaal (en rechtszaal) naar het schavot op
de Grote Markt. Vanaf de bovenraampjes van de Hoofdwacht zagen de daarvoor aangewezen
leden van het stadsbestuur er op toe dat de beul zijn werk goed verrichtte.
De door Jan Berentsz gebouwde Hoofdwacht was eigenlijk een wachthuis voor het
garnizoen en dateert uit de zeventiende eeuw.
Men kon in Zwolle ook "aan de kaak" gesteld worden, d.w.z. zichtbaar
voor alle inwoners te schande gezet worden. En ook de kaak stond op de Grote
Markt, namelijk dichtbij het Notenwinkeltje.
Ook de Grote Kerk of Michaelkerk, die al in 1040 bestond, is natuurlijk een
belangrijk bouwwerk. In haar tegenwoordige vorm is de kerk tussen 1370 en 1452
ontstaan. Het oorspronkelijke Romaanse kerkje is toen in alle richtingen vergroot,
zowel ten koste van de Luttekestraat als van het Grote Kerkplein. De kerk is
nu 78 meter lang, 35 meter breed en de gewelven zijn 19,5 meter hoog. De bouw
van de toren begon in 1406 en was in 1451 nog niet voltooid. In 1548 werd de
toren door de bliksem getroffen. In dat jaar gaf Karel V als landsheer toestemming
om voor de herbouw een loterij te organiseren. In 1563 was de toren weer gereed,
maar in 1606 sloeg de bliksem opnieuw toe, zij het nu minder vernietigend. Het
herstel duurde nu slechts drie jaar. Tenslotte werd de toren in 1669 echter
voor de derde keer door de bliksem getroffen en in 1682 stortte hij geheel in.
Zwolle verloor daarmee de toen hoogste toren van het land. Hij was namelijk
zelfs nog hoger dan de Utrechtse Domtoren. Vier jaar later heeft men op die
plaats een achthoekige consistoriekamer gebouwd. Daar is nu een schilderij te
vinden van Hendrik ten Oever dat de Zwolse predikanten in 1691 voorstelt.
Het enige wat nog over is van de Romaanse voorganger van de tegenwoordige Gotische
hallenkerk is een 13e eeuws tympanum, een zandstenen boog boven de hoofdingang.
Dit tympanum met een afbeelding van Abraham met drie zielen op zijn schoot,
is te zien in de muur van de Grote Kerk aan het eind van de Sassenstraat. Andere
bijzonderheden in de kerk zijn o.a. nog de grafsteen van de grote Zwolse schilder
Gerard ter Borch, de kansel en het uit 1721 daterende wereldberoemde orgel van
Schnitger. De pastoorswoning, vroeger de Weme genaamd, dateert net als de kerk
uit de 15e eeuw. In dit gotische huis in de Lombardstraat zijn nog wandschilderingen
van apostelen te zien.
De Bethlehemkerk kan zelfs nog ouder zijn dan de Grote Kerk in haar tegenwoordige
vorm. Eens was zij een onderdeel van het in 1309 op deze plaats gestichte Bethlehemklooster.
Dat kloostercomplex ging in 1324 bij een grote brand verloren, op de kapel na.
Die werd tussen 1391 en 1430 verbouwd en uitgebreid, waardoor de tegenwoordige
tweeschepige hallenkerk in gotische stijl ontstond. Sinds 1580 deed het klooster
geen dienst meer en in 1644 werd het afgebroken met uitzondering van de kerk
en het refter, de eetzaal van de monniken. Maar nog altijd geeft de eigenaardige
knik in de Sassenstraat de grens aan van het vroegere ommuurde kerkhof. Aan
deze kant zit in de muur van de Bethlehemkerk ook de grafsteen ingemetseld van
Johannis a Kempis, de broer van Thomas a Kempis. De steen stelt de kruisiging
voor. Ernaast ziet men een rood zandstenen relief van Maria met de gestorven
Christus op haar schoot. Sinds 1449 kon men een aflaat krijgen door hiervoor
op de knieen gelegen te bidden.
In 1395 werd de hof te Zwolle, de tegenwoordige Ossenmarkt, toen eigendom van
het kapittel te Deventer, gekocht om er een Mariakapel te stichten. In het midden
van de 15e eeuw werd die kapel vervangen door de tegenwoordige, juist gerestaureerde
kruisvormige Onze-Lieve- Vrouwekerk, die nooit parochiekerk geworden is. De
toren van de kerk, de Peperbus, het symbool van heel Zwolle, werd gebouwd tussen
1464 en 1484. In 1538 besloot men om hem met een achthoekige lantaarn te verhogen.
De opdracht werd aangenomen door Simon Pinet uit Antwerpen. Maar hij nam, zonder
iets gedaan te hebben, in 1539 de benen met medeneming van het royale voorschot
dat hij had ontvangen. Nu liet het stadsbestuur de eigen stadsbouwmeester de
toren op een eenvoudige manier afbouwen. Het weinig bevredigende resultaat daarvan
werd in 1815 door blikseminslag en brand vernietigd. De stad stond er toen financieel
weer niet goed voor maar toch kwam in 1828 het bekende koepelvormige dak met
een omgang voor de brandwacht tot stand. Sindsdien heeft Zwolle haar Peperbus.
Van de twee overige Zwolse kerken uit de 15e eeuw is er één, in de Schoutenstraat,
oorspronkelijk een kapel van de zusters des gemenen levens geweest en wel van
het ernaast gelegen convent van begijnen. Later werd dit convent, het Kadentershuis,
een klooster, dat rond 1600 met uitzondering van de kapel werd afgebroken. Sinds
1686 werd de kapel als kerk gebruikt door Franse refugiés die toen vluchtten
voor Lodewijk XIV. En nog steeds staat zij bekend als de Waalse kerk.
Ook de Broerenkerk, eens onderdeel van het Broerenklooster, dateert uit de 15e
eeuw. De naam is ontleend aan de monniken die daar leefden en die behoorden
tot de orde van de Dominicanen. Deze monniken preekten veel en stonden daarom
bekend als de predikbroeders. Na de hervorming in 1580 werden zij uit Zwolle
verdreven. Sindsdien zijn alleen de kerk en de librije, de kloosterbibliotheek,
over. In de 18e eeuw heeft de librije nog een tijd als Joodse synagoge dienst
gedaan. Tenslotte is ook de Doopsgezinde schuilkerk in de Wolweverstraat het
vermelden waard. Na de hervorming was het namelijk ook aan Doopsgezinden verboden
om een als kerk herkenbaar kerkgebouw te hebben. Daarom bouwden zij in 1666
achter een ogenschijnlijke huisgevel een schuilkerk.
De panden Praubstraat 8, 10 en 12 herinneren aan de Moderne Devotie. Het waren
in de 15e eeuw fraterhuizen waar de ongeveer twintig broeders des gemenen levens
circa vijftig scholieren in de kost hadden.
Tot de 15e eeuwse gasthuizen ten behoeve van zieken en bejaarden behoorde o.a.
het
Heilige Geest Gasthuis of Binnengasthuis, gelegen op de hoek Diezerstraat-Gasthuisstraat.
Destijds strekte het zich uit tot aan de Oude Vismnarkt. Het werd in 1302 gesticht.
Nog altijd kan men iets van het oorspronkelijke gebouw zien.
Het Pestengasthuis, op de hoek Nieuwstraat-Bitterstraat, kwam eind 15e eeuw
tot stand. Het diende, zoals de naam al zegt, vooral als ziekenhuis. Dat bleef
het zelfs tot ver in de 19e eeuw. Het werd toen vervangen door het Sophiaziekenhuis
dat in die tijd verrees aan de Rhijnvis Feithlaan.