De tegenhangers van de moderne devoten, die zich richtten op het welzijn, waren de gilden die de welvaart van hun leden op het oog hadden. In Zwolle streefden de gilden, er kort na 1400 naar om hun leiders, de overste olde mannen, als een nieuw college aan het bestaande stedelijke bestuur toe te voegen. Dat lukte. Maar de nieuwe bepalingen waren niet naar de zin van de moderne devoten en van hun beschermheer, de bisschop van Utrecht, die ook landsheer over Zwolle was. Zij organiseerden een staatsgreep die plaatsvond in de nacht van 12 op 13 december 1416. Daarna werden de betrokken artikelen in het stadsrecht, die gunstig waren voor de gilden, doorgehaald.
In de middeleeuwse steden verzamelden zich geleidelijk steeds meer handwerkslieden.
De beoefenaars van eenzelfde beroep sloten zich al gauw aaneen om hun gemeenschappelijke
materiële belangen te beschermen. Vaak was het begin trouwens een godsdienstige
broederschap waaruit later, door het behartigen van economische belangen een
vereniging, gilde genaamd, ontstond. Pas in de late middeleeuwen werden de gilden
en hun leden door strenge regels gebonden, wat voortduurde tot het eind van
de 18e eeuw.
Zo ontstond op den duur vrijwel overal een verplicht lidmaatschap, de zogenaamde
gildedwang. Dat woog zwaar omdat het gilde met machtiging van het stadsbestuur
bindende regels voor het betreffende ambacht kon vaststellen. Maar ook streefden
de gilden naar sociale gelijkheid van de gildebroeders. Bepalingen verhinderden
dat leden ten koste van andere leden voordelen behaalden.
Zo werd o.a. het aantal knechten en leerlingen geregeld evenals het gebruik
van werktuigen om oneerlijke konkurrentie tegen te gaan.
De opleiding voor een ambacht begon op zevenjarige leeftijd door als leerling
in dienst te treden bij een meester in het vak. De jongens werden door hun ouders
of voogden bij een meester uitbesteed waarvoor een leer- of kostgeld werd betaald.
Meestal wisselden zij na enkele jaren van meester, waarna rond het 14e jaar
de gezellen periode begon. In die periode bereidde de gezel zich voor op de
meesterproef, die bij volwassenheid op eenentwintigjarige leeftijd, werd afgelegd.
Het heilige getal 7 werd dus ook toegepast op de opleiding.
Geleidelijk werden de gilden meer en meer exclusief. Dat wil o.a. zeggen dat
het aantal meesters werd beperkt. Ook werden zonen van meesters vrijgesteld
van bepaalde verplichtingen, zoals van het betalen van entreegeld. En onechte
kinderen, horigen en Joden waren uitgesloten van het gildelidmaatschap. Door
deze bepalingen ontstond er buiten de gilden een groeiende groep ongeorganiseerde
ambachtslieden, de zogenaamde beunhazen, die vaak een bron van ook politieke
onrust vormden. Toch waren de gilden niet verwerpelijk. Het gildesysteem waarborgde
namelijk vakmanschap, een belangrijk voordeel voor de consument van toen. Men
was altijd verzekerd van goede kwaliteit door de kontrole van gilde of staalmeesters
op de produkten. En voor de leden had het gilde ook een sociale funktie. Zo
ontvingen gildeleden bij langdurige ziekte of ouderdom een uitkering uit het
gildefonds of "de bus". En ook de begrafenis van een gildebroeder
vond op kosten van het gilde plaats.
In het begin van de 15e eeuw begonnen de burgers van verschillende Hanzesteden
invloed te eisen op het stadsbestuur. In Zwolle probeerden zij om de leiders
van de gilden, de "overste oldermannen" tot een nieuw kollege te vormen.
Het stedelijke patriciaat, hoofdzakelijk bestaande uit grootgrondbezitters,
gaf schijnbaar toe. Zij nodigden de overste oldermannen namelijk uit om aan
de regering deel te nemen. Maar om daarin een plaats te krijgen moest men "geërved"
zijn,"mit liggende erve", d.w.z. dat men onroerend goed moest bezitten
in de stad. Dat probeerden de gildeleiders nu te krijgen, maar daarbij stuitten
zij op de Moderne Devotie. Want in die tijd zochten de broeders des gemenen
levens een financiële basis in grondbezit. Misschien leken de fraters zwak te
staan tegenover de gilden, maar zij werden gesteund door de bisschop van Utrecht,
niet alleen geestelijk leider van zijn bisdom, maar ook de wereldlijke landsheer
over Zwolle. Toch werd in 1407 het stadsrecht zodanig gewijzigd dat kloosterlingen
hun geërfde onroerende goederen aan niet geestelijken moesten verkopen of deze
moesten nalaten aan hun wereldlijke erfgenamen als zij het vruchtgebruik daarvan
wilden behouden. In 1413 eisten de gilden officieel een aandeel in de Zwolse
stadsregering op en inderdaad werd het college van overste oldermannen toegevoegd
aan de bestaande bestuurslichamen zoals de meente, de schepenen en de raden.
De gevolgen bleven niet uit. Op 13 januari 1415 werd een aantal nieuwe, tegen
de moderne devoten gerichte stadsrechtbepalingen afgekondigd. Ook werden de
kloosters tot uitsterven gedwongen. Dirk van Herxen, de rector van het Zwolse
fraterhuis, diende nu op 9 maart 1415 tegen deze maatregel een aanklacht in
bij de bisschop van Utrecht. Deze legde als tegenmaatregel het interdict op
Zwolle.
Dat betekende dat er niet meer volgens het kerkelijk recht getrouwd, gedoopt
en begraven kon worden en dat de inwoners ook alle overige sacramenten werd
onthouden. In juni kreeg Zwolle echter dankzij haar rijkdom absolutie van het
concilie, dat toen in Konstanz bijeen was. Nu besloot de bisschop om, gesteund
door Deventer en Kampen, in het geheim een staatsgreep uit te voeren in Zwolle:
de dramatische Lucienacht. In het holst van de nacht van 12 op 13 december van
het jaar 1416 werd de Zwolse stadsregering omver geworpen. Verschillende leiders
werden onthoofd of verbannen, de gildebrieven werden verband en de tegen de
Moderne Devotie gerichte bepalingen in het stadsboek werden doorgehaald. Toch
kreeg de landsheer niet veel macht in Zwolle. Het heft kwam weer in handen van
het oude stadspatriciaat. Zelfs werd de invloed beperkt die de landsheer nog
kon uitoefenen via de schout, zijn oorspronkelijke vertegenwoordiger.
In een middeleeuwse stad woonden behalve burgers ook inwoners, d.w.z. die
niet de eed op het stadsrecht hadden afgelegd. Daarnaast waren er nog de gasten,
d.w.z. vreemdelingen die tijdelijk in de stad verbleven. De burgers waren de
meest bevoorrechte groep.
Voor men de burgereed mocht afleggen werd dan ook een grondig onderzoek ingesteld
o.a. om zekerheid te krijgen dat de kandidaat zijn verplichtingen tegenover
de stad zou kunnen nakomen. Ook moesten kandidaat-burgers een soort inkoopsom
betalen en borgen stellen. Daar stond tegenover dat burgers alleen gehoorzaamheid
verschuldigd waren aan hun stadsregeling en alleen voor hun stedelijke rechtbank
konden terechtstaan. Verder konden alleen de burgers lid worden van de gilden,
dat wil dus zeggen een beroep uitoefenen. En uitsluitend de burgers en hun gezinsleden
konden opgenomen worden in de liefdadigheidsinstellingen zoals gasthuizen en
weeshuizen. Wel hadden de burgers ook verplichtingen, bijv. het verrichten van
brandweer- en waakdiensten, waarvoor zij in de Doelen oefenden.
Daarvoor werden zij op gezette tijden feestelijk onthaald op het stadhuis.
Omdat de burgers als het ware eedgenootschapsbroeders waren, kwam de hele stad
een burger te hulp als die die met een vreemdeling in een proces gewikkeld raakte.
De hele gemeenschap betaalde het losgeld voor een burger die ergens anders gevangen
genomen was of nam goederen in beslag van medeburgers van de vreemdeling waarmee
de burger in konflikt was. Doordat dit wederzijds gebeurde, kwam soms de handel
tussen twee steden geheel stil te liggen. Dit stelselmatig partij trekken voor
de eigen burgers kon alleen omdat de middeleeuwse steden nog zeer kleine leefgemeenschappen
waren. Zwolle telde in het begin van de 15e eeuw bijv. niet veel meer dan 3.200
inwoners.