[Inhoudsopgave]

Hoofdstuk 5. De Moderne Devotie.

In de 15e eeuw was Zwolle het centrum van de Moderne Devotie, een nieuwe kerkelijke beweging binnen de Rooms-Katholieke kerk. De leden daarvan, de broeders en zusters des gemenen levens, verdienden hun brood onder meer met het overschrijven van boeken, wat voor de uitvinding van de boekdrukkunst erg belangrijk was.

Eind 14e- begin 15e eeuw ontstond in de IJsselvallei een godsdienstige beweging die zich eerst vanuit Deventer, maar al gauw vanuit Zwolle uitbreidde over Nederland, Belgie en Duitsland tot in Zwitserland en Rusland toe. Dat was de Moderne Devotie. Wij moeten dat "Moderne Devotie" opvatten als een toewijding aan Christus die voor die tijd modern was. De leden van de beweging streefden naar herleving van het oude oorspronkelijke christendom. De Moderne Devotie werd dan ook in de praktijk gebracht door Christus als voorbeeldig levend mens na te leven.
De moderne devoten wensten een sobere, eenvoudige leefwijze en zij hadden kritiek op die van de toenmalige geestelijkheid. De Moderne Devotie liep dan ook vooruit op het protestantisme, terwijl het ook verbindingen had met de renaissance en het 16e eeuwse humanisme.

Initiatiefnemer van de beweging was Geert Grote, die stamde uit een magistraatsfamilie in Deventer. Na een onstuimige studententijd kwam hij tot inkeer en in 1374 schonk hij zijn huis aan vrome vrouwen. Het waren alleenstaande vrouwen die samenwoonden en -werkten om sterker te staan omdat er zo goed als geen sociale verzorging voor hen was. Zij voorzagen vooral in hun onderhoud door weef- en naaldwerk. Er kwamen destijds veel begijnen omdat er een vrouwenoverschot was ten gevolge van de pest die de buitenshuis werkende mannen meer trof dan de vrouwen. Begijnen onderscheidden zich van de nonnen die kloostergeloften aflegden. Het voorbeeld van de begijnen werd al gauw gevolgd door mannen, fraters of broeders genaamd. Zij verdienden hun brood met schrijfwerk en met het houden van een jongensinternaat of kostschool voor de leerlingen van de beroemde stadsschool van Zwolle. De broeder- en zusterhuizen breidden zich enorm uit. Omstreeks 1400 waren er alleen al in Deventer, Zwolle en Kampen dertien zusterhuizen. Rond 1450 waren er negentien fraterhuizen in Nederland, Westfalen en andere Duitse gebieden.
Naast Geert Grote was ook diens vriend Johan Cele, de rector van de Zwolse stadsschool van 1374 tot 1417, invloedrijk in de beginperiode. Maar hoewel hij nauw verwant was met de moderne devoten, is hij nooit toegetreden tot de "broeders des gemenen levens", of de "broeders van de penne" zoals de gemeenschappelijk levende broeders wel genoemd werden vanwege hun schrijf- en kopieerwerk.
Op aandringen van Geert Grote bleef Johan Cele zich wijden aan de opvoeding van de jeugd. In 1384 gaf Geert Grote op zijn sterfbed de raad om naar beginselen van de Moderne Devotie kloosters te stichten. Hij wilde hiermee de beweging na zijn dood veilig stellen, maar hij riep er wel een nieuwe stroming mee in het leven. Al in 1387 werd in Windesheim het eerste klooster van de Moderne Devotie ingewijd.
Als kloosterregels koos men de regels van Augustinus wat ten gevolge had dat de Windesheimer congregatie zich meer beschouwend dan praktisch ontwikkelde. Maar ondanks hun leuze "met een boekje in een hoekje", groeide de congregatie sterker dan de broederschap des gemenen levens. Zo kregen wij dus, naast de huizen van de broeders en zusters die leken waren, ook kloosters van de Moderne Devotie, maar dan voor monniken en nonnen.
De beweging ging zeker in onze ogen te ver in haar pogingen de vraag te beantwoorden hoe een christen moest leven. Stilte, ingetogenheid en trouwe uitoefening van godsdienstige plichten waren kenmerkend voor het leven van de broeders en de zusters. Voor levensblijheid was geen plaats. De Moderne Devoten mochten bijna niet in kontakt komen met de buitenwereld en hadden strenge regeld voor hun kleding, Het is bijvoorbeeld tekenend dat een begijn die aan haar meesteres vroeg of zij een paar mooie schoenen mocht dragen, als antwoord kreeg: "Ja, maar om je hals",.
De regels waaronder de broeders en zusters des gemenen levens leefden, waren dan ook bijna kloosterregels. Zij wensten niets anders dan de deugdzaamheid en soberheid, zeker ook waar het hun huizen betrof. Dat waren simpele burgerwoningen.
Onder Dirk van Herxen, die in 1409 rector van het Zwolse fraterhuis werd en 50 jaar leider van de beweging was, breidde de Moderne Devotie zich uit over heel Europa. Toch was het Zwolse fraterhuis maar klein en hield van Herxen het ook bewust klein uit angst de eenvoud te verliezen. Om dezelfde reden hield hij de jaarlijkse inkomsten beperkt tot honderd oude Franse schilden.
De overige inkomsten werden verdeeld over de bibliotheek en de armen.
Ook zette Dirk van Herxen elke zaterdag een streep bij het schrijfwerk van de broeders om hen tot grotere prestaties en tot sneller werken aan te zetten, De geschreven boeken waren vanzelfsprekend erg kostbaar en daarom werden zij aan kettingen gelegd, zoals nu nog in de Librije in Zutphen te zien is. Eén van de mooiste produkten van het schrijf- en illustreerweerk van de broeders is wel de vijfdelige bijbel die tussen 1464 en 1476 in het Zwolse fraterhuis gemaakt is en die dan ook bekend staat als de Zwolse Bijbel.
Ook door de nabijheid van het klooster Windesheim hadden de moderne devoten in Zwolle de leiding over de hele beweging. Er werden jaarlijks bijeenkomsten gehouden van alle kloosters en frater- en zusterhuizen. Maar dat wil niet zeggen dat heel Zwolle nu zo ingenomen was met de beweging. Bij een revolutie in 1416 in Zwolle werd dan ook geroepen: "Gooi de begard (d.i. manlijke begijn) in het water!". Dirk van Herxen ontkwam weliswaar, maar moest Zwolle toch ontvluchten. Zelf stichtte hij in die tijd nog nieuwe fraterhuizen in Den Bosch, in Doesburg waarheen hij uitgeweken was, in Groningen en in Harderwijk. Tenslotte is hij begraven bij het klooster Windesheim, waar zijn grafsteen nog altijd te zien is in de consistoriekamer van de kerk.

In het klooster Agnietenberg bij Zwolle heeft Thomas a Kempis, de schrijver van de Imitatione Christi, de "Navolging van Christus", ruim 70 jaar van zijn leven doorgebracht. Hij kwam hier in 1399 op negentien- of twintigjarige leeftijd, toen zijn broer Johannes prior van het klooster was. Hij overleed er op 25 juli 1471, dus op tweeennegentigjarige leeftijd. Hij werd begraven in de oostelijke trans van de kloosterkerk. In 1672 werd zijn stoffelijk overschot opgegraven en in een fraaie kist herbegraven. Deze bevindt zich nu in de tegenwoordige St. Michaelkerk aan de Middelweg in Zwolle. Van de vele handschriften van Thomas a Kempis zijn slechts twee boekjes en een vijfdelige bijbel bewaard gebleven. Deze bijbel die is verlucht met een groot aantal initialen, kwam tussen 1427 en 1439 tot stand. Hij bevindt zich nu in Darmstadt en heet dan ook de "Darmstadt Bijbel". Maar zonder twijfel is zijn beroemdste werk de "Navolging van Christus", dat wel het meest verbreide godsdienstige boek wordt genoemd na de bijbel. In elk geval zijn er meer dan vierduizend drukken van bekend in talloze talen waaronder bijv. ook het Bretons, Fries, Hebreeuws, Arabisch, Armeens, Maleis, Chinees en Japans.
Lange tijd was men er niet zeker van wie het boek heeft geschreven, ook door toedoen van Thomas a Kempis zelf. Hij heeft namelijk eens geschreven: "Vraag niet wie iets gezegd heeft, maar wat er gezegd wordt". In het boek wijst hij op de persoonlijke innerlijke beleving van het geloof. Hij wilde de mensen brengen tot een levenshouding waarbij gestreefd wordt naar gemeenschap via een soort gesprek met God.

Hoofdstuk 6

[Inhoudsopgave]