In de middeleeuwen werd ter bevordering van de handel van de Duitse kooplieden
de Hanze gesticht. Hiervan is Zwolle in 1294 lid geworden, maar later heeft
de stad daar een tijd geen gebruik van kunnen maken. Pas in 1407 werd Zwolle
weer officieel in de Hanze opgenomen.
Na 1122 had de Duitse keizer weinig macht meer in zijn rijk omdat hij geen bisschoppen
meer tot zijn leenmannen kon benoemen. En in dezelfde tijd hadden de landsheren
in het Duitse rijk nog niet de macht om op te komen voor de belangen van hun
onderdanen, en hen rust en vrede te kunnen garanderen in hun gebieden, laat
staan in het buitenland. Daarom besloten de Duitse kooplieden in het buitenland
om zichzelf te beschermen. Met dat doel stichten zij een hanze. Dat is een groep
kooplieden die op reis begeleid wordt door soldaten of andere gewapende lieden.
Ook in het Duitse rijk zelf was die bescherming geen luxe omdat daar overal
roofridders waren door het ontbreken van een krachtig centraal gezag.
Toen, in de middeleeuwen, was Oost-Nederland belangrijker voor de handel dan
West- Nederland. Zwolle had bijv. al stadsrechten toen er in Holland nog bijna
geen enkele stad was. Maar de IJssel was dan ook één van de belangrijkste handelsroutes
van die tijd. En wegen over land waren er nog niet of nauwelijks. Vrijwel al
het handelsverkeer bewoog zich over het water tot aan de 19e eeuw toe.
Omdat de handel zo belangrijk was voor de steden en omdat de kooplieden de steden
bestuurden vond men bevordering van de belangen van de kooplieden ook in het
belang van de steden. Mede daarom, maar ook omdat destijds een burger van een
stad aansprakelijk was voor alle burgers van die stad, boden de steden graag
bescherming aan hun kooplieden. Zo ontstond door die verweving van kooplieden-
en stadsbelangen, uit de koopliedenhanze tenslotte de steden-Hanze.
Zo groeide het Duitse koopliedenverbond in niet-Duitse gebieden, zoals in Rusland,
Engeland, Noorwegen en Vlaanderen op den duur uit tot een bond van handelssteden
in de Duitse landen zelf. Zij sloten zich aaneen om de vrede in eigen land te
bewaren om zodoende hun handelsbelangen te beschermen. Er is dus geen sprake
van stichting van de Hanze, maar van een geleidelijke groeiperiode en wel tussen
1256 en 1358. In het eerstgenoemde jaar begonnen de notulen van het verbond
en omstreeks 1358 werd er in een akte voor het eerst gesproken van "Duitse
Hanze". Ook kwam toen de leiding definitief in handen van Lbeck,
dat heel gunstig gelegen was als overslagplaats voor de handel tussen de Oostzee
en de Noordzee.
Door taalverwantschap en goede verbindingen met Westfalen via de waterwegen
voelden de steden in Oost-Nederland zich sterk aangetrokken tot de Duitse steden.
En natuurlijk pasten zij als belangrijke handelssteden ook uitstekend bij de
Hanze. Uit het Oostzeegebied importeerden zij graan en vis, destijds een belangrijk
volksvoedsel, ook i.v.m. wekelijkse vasten op vrijdag. Verder werd o.a. wijn
uit de Rijnstraak ingevoerd, zout uit Frankrijk en laken uit Vlaanderen. In
1270 hadden Zwolse kooplieden al een privilege dat hen toegang gaf tot het Zwin
waaraan Brugge lag. In 1290 slaagden de Zwolse kooplieden er zelfs in om hun
concurrenten, de Friezen, in het Oostzeegebied terug te dringen. Vier jaar later
erkende Zwolle Lbeck al als "hoofd" van de Hanze, oftewel als
"caput et principium".
De Hanze kreeg als organisatie vastere vorm tijdens de oorlog die zij voerde
tegen koning Waldemar IV van Denemarken die in 1370 eindigde met de vrede van
Stralsund. Ook Zwolle tekende het vredesverdrag en de stad kreeg een vitte op
Schone (Skne), nu het zuidelijkste deel van Zweden. Een vitte was een
afgepaald stuk grond met huizen en kramen, waar het eigen (hier het Zwolse)
stadsrecht gold.
Officieel is Zwolle pas in 1407 lid van de Hanze geworden. En, ook omdat de
roofridders verslagen waren, leken de vooruitzichten gunstig. Maar juist toen
ontstonden er interne woelingen (1407-1416) en oorlogen met Gelre (1419-1433).
Bovendien hebben de Hollandse steden met steun van hun vorst Philips van Bourgondië
een oorlog met de Hanze (1438- 1441) gewonnen. Daar kwam nog bij dat de scheepvaart
bemoeilijkt werd door verzanding van de IJssel terwijl de tonnage van de schepen
en daarmee de diepgang groter werd. Daarna verplaatste de handel op het Oostzeegebied
zich meer en meer naar Amsterdam.
Naast de aktieve internationale handel was er ook passieve internationale
handel en natuurlijk de regionale handel. Het meest belangrijke waren de jaarmarkten,
die dagenlang en in
Zwolle zelfs ieder een volle week duurden.
Zij waren een echte ontmoetingsplaats voor kooplieden die vaak van heinde en
ver kwamen, tot uit Denemarken, Holstein, Keulen en Westfalen toe. De jaarmarkten
kunnen dan ook best met een handelsjaarbeurs of messe vergeleken worden. De
wekelijkse en soms zelfs dagelijkse markten voor levensmiddelen e.d. ontstonden
pas later ook al omdat het menu van de middeleeuwse gewone man zo eenvoudig
was dat hij aanvankelijk zelf wel kon verzorgen. Maar heel geleidelijk werd
de arbeidsverdeling z¢ gespecialiseerd dat er naast het eigen ambacht geen tijd
en kennis overbleef om voor het eigen voedsel te zorgen.
De jaar- en weekmarkten werden voor de veiligheid binnen de stadsmuren gehouden
waar de stedelijke overheid bescherming bood. Ook stelde het stadsbestuur regels
vast om de consument te beschermen. Zo moest in Zwolle de aangeboden haring
vers zijn. Haring die "nachtgammel" was, d.w.z. ouder dan één nacht,
moest met een rode lap op de ton aangeduid worden en schoongemaakte haring met
een groene lap. Ook mocht niemand na 25 juli koeien slachten en verkopen, tenzij
het vlees met een rode lap was gemerkt.
Vlees mocht maar drie dagen lang als vers verkocht worden en alleen in open
kuipen zodat iedereen kon zien "wat voor vlees hij in de kuip had".
Na drie dagen moest het niet verkochte vlees worden ingezouten.
Het ambt van marktmeester werd volgens het oudste stadsrecht uitgeoefend door
twee schepenen. Maar o.a. omdat zo'n schepen of wethouder natuurlijk niet "van
alle markten thuis was" werd al gauw een bekwame burger aangesteld als
marktmeester. Deze ontving een vast salaris en bovendien een derde van de boetes
die hij oplegde.
Er werden vaste verkooppunten voor vlees en voor vis aangewezen, die al gauw
overdekt werden. Zo kreeg Zwolle in 1469 op de hoek van de Voorstraat en de
Luttekestraat het Vleeshuis, terwijl aan weerszijden van de Grote Aa, waar nu
de Oude Vismarkt is, vis werd verkocht. Ook de namen Vispoort, Krabbenstraat
en Roggenstraat herinneren natuurlijk aan de route die de viswijven volgden.
Om de aanvoerwegen voor markten te beschermen verwierf Zwolle zich tal van privileges
van de landsheer. in 1328 werd bijv. vrijdom van weggeld verkregen zodat Zwollenaren
met hun voertuigen vrij door Twente naar Mnsterland en Westfalen konden
reizen.
In hetzelfde jaar kreeg Zwolle ook vrijstelling van tol te Nieuwerbrug bij Ommen
in de weg naar Hardenberg. Al eerder had de stad in het moerassige gebied ten
noorden van de Grote Aa een paalweg aangelegd naar de buurschap Dieze (de Diezerstraat)
en de Oude Twentse weg. Verbetering van de verbinding in oostelijke richting
volgde in 1402 toen de weg van Ane naar Coevorden werd aangelegd. In 1438 kreeg
Zwolle het stapelrecht voor alle goederen die via Venebrugge, bij Hardenberg,
langs een paalweg door het veen westwaarts werden gevoerd. In 1451 werd de Berkumerbrug
over de Vecht gebouwd, die het handelsverkeer uit Duitsland via Zwolle naar
Holland nog verder moest vergemakkelijken.
Ook voor de handel met het westen werden in 1432 bakens en bebakeningstonnen
in zee geplaatst en werd in 1435 op kosten van Zwolle de sluis in Genemuiden
gerepareerd. Verder verwierf Zwolle o.a. het Katerveer over de IJssel ten zuiden
van de stad en tenslotte werd tolvrijheid overeengekomen met Amsterdam en Elburg.
Deze en nog veel meer van dergelijke maatregelen, rechten en overeenkomsten
hebben Zwolle geen windeieren gelegd. De stedelijke geldmiddelen, het nationaal
inkomen zouden wij nu zeggen, die in 1402 nog 6.000 gulden bedroegen waren in
1450 bijna verzesvoudigd tot 34.000 gulden.