[Inhoudsopgave]

Hoofdstuk 2. Het stadsrecht.

Pas eeuwen na het ontstaan van Zwolle kreeg deze gemeenschap van vrije boeren, die marke genoemd werd, het stadsrecht. De oorspronkelijke akte is bij de grote stadsbrand van 1324 verloren gegaan zodat wij op het ogenblik alleen nog maar beschikken over een afschrift van deze akte die in de 16e eeuw gemaakt is en in het privilegeboek van Zwolle staat afgeschreven. In dit privilegeboek werden, natuurlijk te beginnen met het stadsrecht zelf, alle latere voorrechten afgeschreven die de stad kreeg. De versiering linksboven met het stadswapen is niet oorspronkelijk uit de 16e eeuw maar een latere toevoeging.

De plaats Zwolle bestond dus zeker al een paar honderd jaar toen zij op 31 augustus 1230 stadsrecht kreeg. Nu kon het stadsrecht van plaats tot plaats verschillen, maar altijd kregen de burgers, de vaste bewoners van de betreffende plaats, daarmee hun eigen juridische rechten en verplichtingen. Zij werden als het ware onttrokken aan de invloed van de adel, die het platteland bestuurde, en als derde stand gesteld naast de adel en de geestelijkheid. Om duidelijk te maken waar het stadgebied met het eigen stadsrecht begon, kreeg de nieuwe stad toestemming om zich af te bakenen met een gracht en een omheining. In het Zwolse gevel wordt gesproken over een houten palissade. Overigens kreeg Zwolle hetzelfde stadsrecht als Deventer, wat deze stad stempelt tot de moederstad van Zwolle. Op haar beurt werd Zwolle later tot moederstad van o.a. Steenwijk en Genemuiden.
Het is opmerkelijk dat Zwolle als marke stadsrecht kreeg, want gewoonlijk werd dat alleen verleend aan kooplieden-nederzettingen.
Het middeleeuwse stadsrecht omvatte geen volledig rechtstelsel en het plaatselijk ontstane gewoonterecht bleef dan ook van kracht. Omdat in Zwolle de markegenoten al voor het verlenen van het stadsrecht het recht hadden om te keuren, d.w.z. wetten te maken, hoefde hen het keurrecht niet nog eens te worden verleend.
Zwolle heeft zich al gauw heel handig het recht toegeeigend om te regelen wat niet door de landsheer werd geregeld.
Zo vaardigde het bestuur dan ook publiek- en privaatrechtelijke voorschriften uit, wat nu de rijkswetgever zou doen.
Niet alleen de stedelingen, maar ook de landsheer had voordeel van zo'n stadsrechtverlening. Zo gaf Zwolle zoals wij al zagen de bisschop financiële steun en was de stad een soort vesting, kompleet met muren en voor de landsheer van belang als bondgenoot tegen opstandige edelen.
Het oudste stadsrecht ging verloren bij een vrijwel volledige stadsbrand in 1324. Bij de wederopbouw werd het stadsgebied belangrijk vergroot en in 1346 werd het stadsrecht vernieuwd en verruimd. Na een aanvulling hierop in 1369 kwam er tenslotte tussen 1398 en 1415 een geheel nieuwe codifikatie.

Naar het voorbeeld van Deventer bestond het bestuur van Zwolle uit 12 schepenen en 12 raden. De schepenen waren een soort wethouders en de raden, waarschijnlijk oorspronkelijk vertegenwoordigers van de burgers, waren hun adviseurs. In 1341 blijkt er bovendien ook nog een meente te zijn, enigszins vergelijkbaar met de tegenwoordige gemeenteraad die een soort kontrolerende bevoegdheid bezat. Maar de meenslieden werden alleen bij oorlog en vrede geraadpleegd en het was hen verboden om bij de besprekingen het woord te voeren. Waarschijnlijk oefenden alleen de 12 schepenen het stadsbestuur uit. Hun taak omvatte naast wetgeving ook de defensie, dus de zorg voor de omwalling en de vorming en de leiding van legertjes. Verder moesten zij de belangen van de stad naar buiten toe behartigen, zowel tegenover de landsheer als tegenover derden. Ook had het stadsbestuur wel bemoeiingen met het onderwijs en de godsdienst. De schepenen verdeelden de zes funkties onderling, zodat deze steeds door een tweetal schepenen samen werden uitgevoerd. Die verdeling vond plaats bij het begin van het politieke jaar dat sinds 1343 begon op Pauli Conversio, d.w.z. op 25 januari. De twee schepenen die een jaar lang belast waren met de administratie van de stedelijke financiën heetten de kameraars. Zij hadden samen de eerste maand (van vier weken) van het politieke jaar ook de funktie van burgemeester ofwel voorzitter. Gedurende elke volgende periode van vier weken werden zij als "burgemeesteren" opgevolgd door de andere schepenen en wel resp. door de tollenaars, de timmermeesters, de gruitmeesters, de keurmeesters en tenslotte door de tichelmeesters. In elk jaar van 13 "maanden" traden de kameraars dus driemaal op als burgemeester, waaruit blijkt hoe belangrijk zij waren. Bij de beraadslagingen vond geen stemming bij meerderheid plaats. Alle schepenen gaven hun mening en de "burgemeesteren" trokken daar hun konklusie uit, die, om rechtsgeldig te zijn, eenstemmig aangenomen moest worden.

Zoals vrijwel alle Nederlandse steden was Zwolle, waarschijnlijk naar Romeins voorbeeld, verdeeld in vier wijken. De noordzuid-as liep langs de lijn Papenstraat-Roggenstraat en de oostwest-as was de Grote Aa. Die verdeling had politieke en militaire betekenis. De verdediging en ook de brandbestrijding vond namelijk per wijk plaats. Bovendien leverde elke wijk twaalf meenslieden. Overleed één van hen, dan werd in zijn vacature voorzien door een schepen. Uit alle meenslieden werden op de avond voor Pauli Conversio, dus op 24 januari, de twaalf meenslieden gekozen die de nieuwe schepenen moesten kiezen. Alleen de meenslieden, die de schepenen van het afgelopen politieke jaar hadden gekozen, waren uitgesloten. De overige meenslieden gingen "ter boone" naar het zogenaamde meensliedenhuis. De verkiezing gebeurde door het kloppen van gemerkte bonen uit een busje. wiens boon uit het busje sprong, viel af. zo werden door de uiteindelijk overblijvende twaalf bonen de twaalf "keurnoten" aangewezen. Deze kozen de volgende dag de twaalf nieuwe schepenen uit burgers die onroerend goed in de stad moesten bezitten om onafhankelijk te kunnen zijn. De schepenen mochten geen familie van elkaar zijn, maar hoe zij precies gekozen werden weten wij niet.
De meente, oorspronkelijk misschien samengesteld uit vrije boeren, was later dus niet veel meer dan een door schepenen aangevuld kieskollege. Daarnaast ontstond ook de traditie dat de aan het eind van het jaar aftredende schepenen de plaatsen innamen van de twaalf raden, terwijl de raden automatisch de positie innamen van de schepenen. Zo ontstond er een gesloten cirkel en werd Zwolle beheerst door het daarin verenigde agrarisch georiënteerde patriciaat.

Hoofdstuk 3

[Inhoudsopgave]