[Inhoudsopgave]

Hoofdstuk 15. Zwollerkerspel.


Het feit dat tussen 1815 en 1820 zowel Thorbecke als Potgieter Zwolle verlieten omdat hun families daar failliet gingen geeft al een aanwijzing over de economische situatie van de stad in die tijd. De 19e eeuw was inderdaad bepaald geen glansperiode voor Zwolle. De stad verloor haar belangrijkste mannen, al verspreidde Thorbecke de ideeen van de Zwolse Patriotten in zijn staatkundige werk en Potgieter in zijn gedichten. Weliswaar werd Zwolle in 1802 hoofdplaats van de provincie, maar de rijks- en provinciale diensten kwamen pas veel later naar de stad. De grootste tegenslag was echter het verlies van al het grondgebied buiten de stadsmuren op 23 october 1802 aan de toen gestichte gemeente Zwollerkerspel. Het nieuwe Zwollerkerspel omvatte het vroegere schoutambt van Zwolle, hoewel de definitieve grenzen pas in 1823 werden vastgesteld. Zwolle behield enige invloed op Zwollerkerspel omdat één van de zeven gecommiteerden die de gemeente bestuurden, door de stad werd aangewezen. In 1818 kwam het reglement voor de plattelandsgemeenten in Overijssel tot stand, waardoor het bestuur in handen kwam van acht raadsleden voor het leven waarvan de koning er twee tot burgemeester benoemde. In 1825 kwam er in plaats van die burgemeesters één schout aan het hoofd, geassisteerd door twee assessoren. Daarnaast waren er dan nog vijf raadsleden. Pas in 1851 kwam tenslotte de gemeentewet van Thorbecke met de bepaling dat elke gemeente zou worden bestuurd door een gemeenteraad met één burgemeester als voorzitter. De dagelijkse leiding kwam in handen van een college van burgemeester en wethouders. De burgemeester werd en wordt door de koning benoemd, maar de wethouders werden en worden uit en door de stad gekozen. De raadsleden worden sindsdien door de kiesgerechtigden gekozen. Met deze wet verdween ook het bestuurlijke verschil tussen stad en platteland.
Zwollerkerspel bleef intussen een echt agrarische gemeente met een een grotendeels confessionele bevolking, die nooit meer dan 10.000 inwoners heeft geteld. Pas in de 20e eeuw kwam er veel import van stedelingen die buiten wilden wonen. Voor hen zijn na de tweede wereldoorlog hele wijken gebouwd, zoals Berkum, Ittersum en Westenholte. Het gebied bestaat van oudsher uit enkele hoge zandruggen, naast veel laag gelegen land, gedeeltelijk broekland, dat tot bouwland is gemaakt en later, vooral in de 19e eeuw, is omgezet in weiland. De geschiedenis van Zwollerkerspel is eigenlijk die van de buurtschappen. Deze waren vanouds te vinden op de hoge rivierduinen. In het westen zijn dat Voorst, waar in 1362 het gelijknamige roofridderslot werd ingenomen en verwoest en Westenholte waar vroeger bij de Konijnenbelten een bos moet hebben gelegen. De naam het Rot bij Frankhuis herinnert aan een gerooid bos en ook Katwolde moet een bos zijn geweest. Spoolde en de Spoolderberg herinneren aan spoelen of stromen, in dit geval langs de hoger gelegen rivierduinen. Ook in het oosten zijn deze heuvels de vroegst bewoonde gebieden. Wijthmen, oorspronkelijk Witoheim, kent nog altijd het Erfgenamenbos dat het gemeenschappelijke bos was van de vrije boeren in de marke Herfte. Namen als Helmhorst, Selhorst en Valkenberg wijzen ook op hoogten.
Namen op heim, zoals Berkum (Berkheim) Ittersum (vroeger Ittersheim) en natuurlijk ook Windesheim wijzen op kolonisatie door oudgediende Frankische soldaten in de tijd van Karel de Grote in dit toen Saksische gebied. De leider van zo'n nederzetting bouwde een versterkt huis dat soms later uitgroeide tot een kasteel. In Ittersum herinnert een herenhuis daar nog aan en in Zuthem (eigenlijk Zuidheim) een boerderij van die naam.
In Windesheim zijn alleen nog de bouwhuizen van het oorspronkelijke kasteel over.
Het adellijke geslacht Windesheim woonde hier al in 1145. Meinold en Witte van Windesheim waren in 1387 medeoprichters van het klooster van die naam. Eind 16e eeuw werd het huis Windesheim ingrijpend verbouwd. In 1613 ging het over in handen van de adellijke familie Schaep, die het waarschijnlijk als jachthuis gebruikte. In het midden van de 18e eeuw werd het huis Windesheim eigendom van de Amsterdamse koopman Paulus Benelle. Deze had in 1725 zijn vader opgelicht voor 18.000 gulden. Zijn vrouw was eerder, op negentienjarige leeftijd, getrouwd met een schepen van Amsterdam. Maar omdat zij een verhouding had met een lakei moest zij na tien jaar scheiden en kwam zij, een Amsterdamse burgemeestersvrouw, in een "verbeterhuis" terecht. Daaruit wist zij echter te ontsnappen en in 1742 trouwde zij met Paulus Benelle, die zich in de ondertrouwakte ten onrechte de titel Jonkeer aanmatigde. Het huis Windesheim lieten zij vergroten en verfraaien o.a. met prachtige gobelins en stucwerk in de gangen en plafonds. Dat werd daar door een beroemde Italiaanse kunstenaar aangebracht. Ook leefden zij buitengewoon royaal. Zo hielden zij er bijvoorbeeld vier knechten, drie meiden en diverse koetsen op na. Het duurde dan ook niet lang of Benelle kon zijn schulden niet meer betalen: hij moest naar het buitenland vluchten.
Nadien hebben verschillende adellijke families het huis korte tijd in bezit gehad totdat het kasteel in 1813 gekocht werd door baron de Vos van Steenwijk, genaamd van Essen. En tot nu toe is het steeds in het bezit van deze familie gebleven. Maar huize Windesheim zelf is in 1944 verwoest door Engelse bommenwerpers, nadat verzetsmensen hadden doorgegeven dat er zich toen een Duitse generaal met zijn staf in gevestigd had. Deze was echter net enkele uren voor het bombardement vertrokken, zodat het huis voor niets verwoest is. Door louter toeval is een ven Benelle's gobelins gespaard gebleven omdat het tijdelijk ergens anders was. Het is nu in het Provinciaal Overijssels Museum te bewonderen.

Nog belangrijker dan de hoogten in het oosten en het westen van Zwollerkerspel zijn de rivierduinen in het uiterste zuiden en het uiterste noorden. Al in 973 werd gesproken van een tol te Katen, een inmiddelsverdwenen dorpje. Die tol was toen in handen van een abdij in Elten, vlak over de grens in Duitsland. Later kwam de tol in het bezit van Deventer, terwijl de pastoor van het dorpje het veer in bezit kreeg. Maar geleidelijk wist Zwolle deze voor de stad levensbelangrijke verkeersader in bezit te krijgen en in 1464 was het veerrecht helemaal in Zwolse handen. Daarom werd er, dichter bij Hattem een nieuw veer, het Kleine Veer, gesticht. Maar dit werd nooit zo belangrijk als het Grote Veer of Katerveer, dat men ter hoogte van de tegenwoordige bruggen vond.
In die tijd koos de IJssel zich een andere bedding en verdween Katen in de golven. Passerende schippers zagen alleen nog de spits van de kerktoren uitsteken boven op de golven drijvende doodkisten. Kortgeleden is bij baggerwerkzaamheden een merkwaardige schotel opgevist die in de kerk van Katen gebruikt moet zijn. Die schotel is nu in het museum van Hattem te zien. Pas in 1862 kwam de spoorbrug er dankzij de inspanningen van de Zwollenaar Thorbecke. Daarna moest er natuurlijk ook een brug komen voor het wegverkeer, waarvoor in het bijzonder de Zwolse Anti-Revolutionair Dr. H. Franssen zich inzette. De zaak kwam pas voor elkaar toen zijn partijgenoot mr. H. van der Vegte, ook een Zwollenaar, minister van Verkeer en Waterstaat werd (1926-1929). In 1930 werd de brug officieel geopend. Aan het begin en aan het eind van de tweede wereldoorlog, werd hij opgeblazen, eerst door de Nederlanders en later door de Duitsers. Dat neemt niet weg dat de brug daar tussenin een belangrijke rol gespeeld heeft in de hongerwinter. Duizenden uit het hongerende westen trokken er over naar het noorden en het oosten in de hoop daar nog wat voedsel te kunnen halen. Pas in oktober 1947 werd de brug weer voor het verkeer opengesteld. Nu, in 1980 heeft hij nog uitsluitend plaatselijke betekenis want in 1970 kwam er vlak naast een brug voor het autosnelverkeer.

In de 18e eeuw heeft baron Menno van Coehoorn één van de schansen aan de IJssel belangrijk vergroot. Dit "Nieuwe Werk" werd door koning Lodewijk Napoleon van Holland in 1809 cadeau gegeven aan Zwolle. Maar het werd pas in 1828 in gebruik genomen als "openbare wandelplaats". Het kreeg al gauw de naam "het Engelse werk" omdat het in de toen populaire Engelse landschapsstijl was aangelegd. Het eilandje in het park, dat tot 1926 via een bruggetje bereikbaar was, leende zich uitstekend voor vergaderingen in de open lucht. Er werden zowel socialistische bijeenkomsten gehouden als het Overijsselse zendingsfeest gevierd. Nu, ter gelegenheid van het Zwolse stadsjubileum, wordt het park aanzienlijk uitgebreid met de aanleg van het Spoolderbos. Een naam die herinnert aan de Spoolderberg.
Ook het uiterste noorden van het voormalige Zwollerkerspel is van groot belang geweest voor Zwolle en wel vanwege de Vecht. Deze rivier was zo belangrijk omdat al het handelsverkeer van Duitsland en het noorden van het land er gebruik van maakte. Voor het wegverkeer werd al in 1451 de Berkumerbrug over de Vecht aangelegd. Dat gebeurde door Zwolle en door het klooster Agnietenberg.

[Inhoudsopgave]