[Inhoudsopgave]

Hoofdstuk 14. Thorbecke.


De hoopvolle toekomst, onze democratie, waarover de Patriotten filosofeerden en waarover zij veel voorbereidend werk verrichten, werd verwezenlijks door Johan Rudolf Thorbecke. Hij werd op 14 januari 1798 in Zwolle geboren en groeide op in het pand Thorbeckegracht 11 waar een gedenksteen aan hem herinnert. Hij stamde uit een Duitse familie die om haar Lutherse geloof werd gediscrimineerd. Juist voor dergelijke dissidenten kwamen de Patriotten op. Zij vader was tabakshandelaar en factoor en afkomistig uit Borgholzhausen in Westfalen. Zijn moeder, een nicht van zijn vader, was in Duitsland geboren en bleef haar hele leven lang Duits spreken. Het bedrijf van zijn vader ging sterk achteruit ten gevolge van het Continentaal stelsel van Napoleon van 1806. Thorbecke Sr. ging tenslotte in 1820 zelfs failliet. De jonge Johan had het als jongen moeilijk. Op 12 mei 1810 schreef hij aan zijn vader: "Ik beloof u beste vader, dat ik u nooit verdriet zal veroorzaken, maar altijd slechts daarnaar streef u door mijn gedrag te verblijden". Omdat hij destijds de beste leerling was van het Zwolse gymnasium, viel hem de eer te beurt (!) bij het verlaten van de school een rede in het Latijn te mogen houden tot zijn medeleerlingen. In 1815 vertrok hij naar Amsterdam. Later vervolgde hij zijn studie in Leiden. Daarna werd hij privaatdocent aan de universiteit van Göttingen. In die tijd schreef hij, in overeenstemming met de ideeen van de Zwolse Patriotten, dat staats- en rechtsinstellingen historisch gegroeid zijn en dat hervormingen alleen maar geleidelijk ingevoerd kunnen worden. Later werd hij hoogleraar in Gent, maar na de scheiding van Noord- en Zuid Nederland in 1831 werd hij in Leiden hoogleraar. Daar gaf hij college, waarbij hij de grondwet van 1815 vergeleek met de staatsregelingen van de republiek. Dat college was de aanzet tot een beroemd werk van hem, getiteld: "Aantekeningen op de grondwet". Het was het gezin van zijn praktische politieke loopbaan. In 1844 werd hij lid van de tweede kamer. Als één van de Negen mannen diende hij een liberaal getint voorstel tot grondwetsherziening in dat echter werd verworpen. Het gevolg was dat hij in 1845 niet werd herkozen omdat hij gold als een gevaarlijke republikeinse professor. Maar toen in maart 1848 in Parijs, Wenen en elders in Europa revolutie uitbrak, keerden zijn kansen. Koning Willem II werd namelijk in 24 uur van "conservatief" "liberaal". Daarom kwam er een grondwetswijzigingscommissie waarin ook Thorbecke zitting had. Hij had het ontwerp toen al klaar, zodat het al op 19 juni 1848 bij de tweede kamer kon worden ingediend. Op 3 november van dat jaar werd het van kracht. Elders mislukte de revolutie door eindeloze discussies maar hier werd dankzij het voorbereidende werk van Thorbecke veel bereikt.
De belangrijkste grondwetswijzigingen van 1848 waren:
- De bepaling dat de koning onschendbaar is, maar dat de ministers verantwoordelijk zijn.
- De invoering van rechtstreekse verkiezingen voor de tweede kamer, de provinciale staten en de gemeenteraad.
- De vaststelling van de rechten van de kamerleden die het mogelijk maken om de uitvoerende macht, dus de regering, te controleren.
- Het vastleggen van de vrijheid van godsdienst, vrijheid van drukpers, vrijheid van vereniging en vergadering.
Dus allemaal typisch patriottische denkbeelden!

Al in 1849 werd Thorbecke minister-president van een kabinet dat diverse wetten tot stand bracht, die uit de grondwet voortvloeiden, de zogenaamde organieke wetten. Voorbeelden daarvan zijn o.a. de provinciewet en de gemeentewet die o.m. bepaalde dat de gemeenteraad het hoofd van de gemeente zou zijn en elke vier jaar zou worden gekozen. Ook introduceerde hij voor gemeente en provincie de begrippen autonomie en zelfbestuur.
In 1862 werd Thorbecke opnieuw minister-president. Dit 2de kabinet Thorbecke heeft voor Amsterdam het Noordzeekanaal en voor Rotterdam de Nieuwe Waterweg verwezenlijkt. Ook heeft het de slaverij in West-Indie opgeheven en een wet op het middelbaar onderwijs tot stand gebracht , die tot de oprichting van de HBS leidde.
Onder de indruk van de Frans-Duitse oorlog vroeg men Thorbecke in 1871 weer een regering samen te stellen. Men had behoefte aan een sterke man. Dit gebeurde en het 3e kabinet Thorbecke traf aan, maar hij overleed in 1872 als minister-president van dit kabinet. In die korte tijd heeft hij bijv. Aletta Jacobs nog geholpen om toegelaten te worden tot "zijn" HBS in Sappemeer. Alleen al uit dit enkele feit blijkt wel dat Thorbecke een heel vroege voorvechter was van de emancipatie van de vrouw. Maar hij was dan ook altijd voorvechter van persoonlijke en geestelijke vrijheid en onbelemmerde ontplooiing van het individu. Hij toonde zich steeds in alles een typisch Zwolse Patriot en hij was, ook voor zijn politieke tegenstanders, een uitzonderlijk groot Nederlander. Groen van Prinsterer schreef op 7 juni 1872 dan ook aan Abraham Kuijper: "De dood van Thorbecke heeft mij geweldig aangegrepen, dit voor u alleen; anderen zouden het niet begrijpen; gij wel". Abraham Kuijper zelf schreef op diezelfde dag: "Met Thorbecke's afsterven is aan Neerlands volk een groot staatsman ontvallen."

Hoofdstuk 15

[Inhoudsopgave]