Ook op politiek terrein behoorde Zwolle in de 18e eeuw tot de allerbelangrijkste steden in Nederland. In Zwolle namelijk ontstond de beweging van de Patriotten, een democratische beweging die zich richtte tegen de bevoorrechte regenten die werden aangesteld door de stadhouder. Dus waren de Patriotten ook tegen de Oranjes en tegen de Prinsgezinden.
Na het midden van de 18e eeuw ontstond een nieuwe politieke beweging die zich afkeerde van de stadhouder en zich tegen de regentenmacht keerde. Het was de tamelijk democratische beweging van de zogenaamde Patriotten. Zowel de economische achteruitgang, de zwakke regering van Willem IV als het ongenspireerde stadhouderschap van Willem V bevorderden de groei van de beweging. Ook aanvaardde men gretig de nieuwe, uit Frankrijk afkomstige ideeën van de verlichting over de volkssouvereiniteit en over de driedeling van de drie van elkaar onafhankelijke machten: de wetgeving, de uitvoerende macht en de rechterlijke macht.
De Overijsselse edelman Joan Derk van der Capellen tot den Pol had zich volgezogen
met dergelijke ideeën en was ook geestdriftig voor de in 1773 begonnen Amerikaanse
vrijheidsstrijd. Hij werd de geestelijk leider van de Patriotten. Deze bestonden
uit ontevreden regenten, in Oranje teleurgestelde burgerij, zich achtergesteld
voelende dissenters, zoals rooms-katholieken, luthersen, joden en doopsgezinden,
en ook uit intellectuelen die het werk voor de regenten deden zonder dat zij
zelf invloed hadden. In het oosten van het land waren de Patriotten radikaler
dan in het westen. In Overijssel en Gelre was het namelijk meer de partij van
de kleine burgerij en het gewone volk. Van der Capellen vreesde de militaire
macht van de erfstadhouder en zijn marionetten, de edelen en de regenten die
hun baantjes aan de Oranjes te danken hadden. Hij was een principiële democraat.
Voor hem gingen de mensenrechten en de volkssouvereiniteit boven alles. Hij
wenste dan ook voor anderen dan de heersende regenten meer medezeggenschap in
het stadsbestuur.
Maar Van der Capellen werd ook gedreven door zijn eigen bittere ervaringen.
Hij kreeg namelijk geen zetel in de staten van Gelderland omdat er één formele
schakel ontbrak aan zijn adellijke afstamming. In Overijssel lukte dat echter
wel, zij het slechts, ironisch genoeg, dankzij de steun van de stadhouder. Hij
trouwde daarvoor met Hildegond Bentinck, die stamde uit een bekend Overijssels
geslacht. Eert kocht hij toen Bredenhorst, een adelijke havezate bij Heino,
maar later het buiten de Pol aan de Reest, waarna het "tot den Pol"
bij zijn naam gevoegd werd. Voor het eerst deed Van der Capellen van zich spreken
door zijn verzet tegen het uitlenen van de zogenaamde Schotse brigade, Engelse
hulptroepen die in Nederlandse dienst waren. Zij werden aan Engeland uitgeleend
om de Amerikanen in hun vrijheidsoorlog in 1775 te bestrijden. Door zijn verzet
hiertegen werd Van der Capellen in de ogen van stadhouder Willem V een gevaarlijke
figuur. Bovendien keerde Van der Capellen zich ook tegen de drostendiensten
in Overijssel. De horige boeren die deze diensten zonder enige beloning voor
hun heren moesten verrichten noemde hij slaven voor het leven. Hij vergeleek
hen met de negerslaven op de plantages. De drost van Twente, voor wie de horige
boeren dat onbetaalde werk moesten doen, wist te bereiken dat Van der Capellen
de toegang tot de statenvergadering van Overijssel ontzegd werd. In 1778 werd
hij in een publikatie zelfs een leugenaar en een volksverleider genoemd.
Tijdens de vierde Engelse oorlog van 1780 tot 1784 keerde Van der Capellen zich
tegen stadhouder Willem V naar aanleiding van dienst houding tijdens deze oorlog.
Willem V had namelijk dynastieke banden met Engeland en hij was daarom tegen
versterking van de Nederlandse vloot. Toen dan ook de slag bij de Doggersbank
onbeslist eindigde zei Willem V verheugd dat de Engelsen in elk geval niet de
vlag hadden behoeven te strijken voor de Nederlanders. Van der Capellen noemde
dit een landsverraderlijke houding. Niet toevallig precies 200 jaar na de Akte
van Verlatinghe, waarbij Philips II vanwege zijn absolutisme als souverein werd
afgezworen, schreef hij daarom een fel pamflet. Dat werd in de nacht van 25
op 26 september 1781 in tal van Hollandse steden op straat geworpen. In het
anonieme pamflet beschreef hij het stadhouderschap als een afkeurenswaardige
instelling. Hij keerde zich fel tegen de steeds verder gaande opeenhoping van
macht in de handen van de Oranjes en hij stelde daar democratische denkbeelden
tegenover. De macht van de stadhouder die gesteund werd met militaire middelen
zag hij als de kern van al het kwaad. De stadhouder immers steunde op gunstelingen
die hij op alle belangrijke posten kon benoemen, ¢¢k in het onderwijs waar de
professoren moesten doceren wat de stadhouder welgevallig was. Van der Capellen
wilde in plaats daarvan democratisch gekozen comités van burgers en boeren.
Ook wenste hij burgerbewapening op democratische basis zoals in Zwitserland
en in Amerika. Deze ideëen zijn sterk beinvloed door het Amerikaanse vrijheidsideaal.
Het pamflet "Aan het volk van Nederland" maakte een geweldige indruk.
Het werd herhaaldelijk herdrukt en ging van hand tot hand. Toch bleef de identiteit
van de schrijver geheim. Zelfs de de Zwolse burgemeester Lucas Rouse, die nauwe
banden onderhield met Willem V, moest erkennen dat het pamflet veel waars bevatte.
Al in 1782 behaalde Van der Capellen drie klinkende overwinningen. Ten eerste
werd Amerika door de Republiek als staat erkend. Ten tweede kreeg Van der Capellen
zelf, dankzij een grote volkssteun, weer toegang tot de Staten van Overijssel.
Ten derde werden drostendiensten in Twente afgeschaft. Op 1 november 1782, tijdens
de vergadering waarbij Van der Capellen weer tot de Staten van Overijssel werd
toegelaten, zag de Sassenstraat zwart van de mensen. Na afloop was er overal
feestverlichting en werden feestmaaltijden voor Van der Capellen aangericht.
De Twentse boeren boden hem een gedenk- en ereteken en een portret aan. George
Washington, de president van de Verenigde Staten, schreef hem: "Uw natie,
en in het bijzonder uw persoon, hebben het vertrouwen en de achting van de Verenigde
Staten verdiend. Ik weet zeker, dat hier nog lang met dankbare verering aan
beiden zal worden gedacht."
Het is dus niet verwonderlijk dat de Holland Society te New York op 6 juni 1908
een gedenkplaquette onthulde aan zijn woonhuis, Bloemendalstraat 12. Dat gebeurde
ter herdenking van zijn sterfdag, want op 6 juni 1784 was Van der Capellen daar
overleden. Juist in die tijd werd overal de door hem bepleite burgerbewapening
ingevoerd en ontstonden exercitiegenootschappen, spottend de "Kezen"
genoemd. Zelf was hij commandant van het Zwolse vrijkorps.
Ondanks zijn grote verdiensten is de nagedachtenis van Van der Capellen nauwelijks
of niet geëerd. Dat komt door het ingrijpen van de Pruisen in 1787. Zijn graf
bij Gorssel is nog in datzelfde jaar vernield en later zelfs opgeblazen, overigens
juist nadat zijn stoffelijke resten en die van zijn vrouw naar elders waren
overgebracht. Een Zwolse burgercommissie had in 1785 de Italiaanse beeldhouwer
Giuseppe Ciracchi opdracht gegeven voor een monumentaal grafmonument dat een
plaats zou krijgen in de Grote Kerk, maar door de omwenteling in 1787 is het
niet voltooid. Godfried Bomans heeft er nog een deel van ontdekt in de tuin
van de Villa Borghese en dat beschreven in zijn "Wandelingen in Rome".
Van der Capellen wordt daarbij afgebeeld als een Romeins volkstribuun.
In de Zwolse burgercommissie zat ook Rhijnvis Feith, die bijna van der Capellens
buurman was. Rhijnvis Feith was op 7 februari 1753 in Zwolle geboren, werd in
1786 lid van de meente en kwam op 25 januari 1787 met de Patriotten in Zwolle
aan de macht. De Patriotten beriepen zich bij het aan de macht brengen van de
ontwikkelde burgerij op werkelijke of vermeende oude rechte, zoals stadsrechten
en gildewetten, die aangetast waren door de regeringsreglementen die eerst in
1674 en later in 1748 opnieuw van kracht werden. De Patriotten vonden deze in
strijd met de Unie van Utrecht. Zwolle was overigens met Utrecht de sterkste
haard van verzet. Nog in 1786 had Rhijnvis Feith een gedicht gemaakt, waarbij
hij de Hattemer bevolking toezong:
"'t Is eedler grootser vechtend op het puin uwer stad te sterven dan met
de vloek der burgerij het purper te verwerven".
Ook had hij, overigens anoniem een toneelstuk geschreven, met de veelzeggende
naam "De Patriotten". Daarin hekelde hij zowel de macht van de aristocratische
regenten als die van de stadhouder. Hij wilde het volk op democratische wijze
medezeggenschap geven want dat was het ideaal van de ware Patriot: gelijkheid
en vrijheid.
In 1787, na de inval van de Pruisen, werd Rhijnvis Feith als raad afgezet. Hij
trok zich terug op zijn buiten Boschwijk, dat later gemeentehuis van Zwollerkerspel
werd. Ook in zijn werken streefde hij sindsdien als het ware naar het leven
na de dood waarin de liefde in zijn zuiverste vorm geluk geeft. Maar desondanks
klinkt in zijn beroemde werk "Het graf van Julia", toch ook een hoopvolle
verwachting naar een betere toekomst door.