Vooral in de 18e eeuw, maar ook nog in de 19e eeuw, was Zwolle een uitermate belangrijk knooppunt van verkeer en daardoor ook van de handel. Destijds speelde het meeste verkeer zich over water af, dat meer betrouwbaar en zekerder was dan het vervoer over land. Daar kon men, omdat de wegen ongeplaveid waren, voor tal van verrassingen komen te staan. Vanuit Zwolle werden dan ook zeer geregelde diensten op tal van steden in Nederland onderhouden. Fascimile 12 toont ons de gevelsteen van het huis van de beurtschipper van het veer op Utrecht aan de huidige Thorbeckegracht destijds, het centrum van de doorvoerhandel.
In de 18e eeuw werd Zwolle een uiterst belangrijk handelscentrum. Naar verhouding
net zo belangrijk als het Rotterdamse Europoortgebied nu is. De handel tussen
Duitsland en Holland koos steeds vaker de route via Zwolle i.p.v. via Deventer,
ook al omdat Zwolle stapelplaats was van Bentheimer steen, destijds een veelgebruikt
bouwmateriaal dat o.a. ook diende voor het Paleis op de Dam en voor de Beurs
in Rotterdam. Ook de vele tollen die op de Rijn de scheepvaart belemmerden bevorderden
natuurlijk de handel via Zwolle. Bovendien waren in 1648 de jaarmarkten in Deventer
beëindigd.
Door haar belangrijke internationale expeditiebedrijvigheid groeide Zwole economisch
uit tot de hoofdplaats van Overijssel. Dankzij een groter bevolkingsaantal dan
Deventer en Kampen werd het later ook de officiële hoofdplaats. Voor de transitohandel
tussen Holland en Westfalen werd de Thorbeckegracht het centrum. Daar werden
scheepsladingen overgeslagen in de kleinere zompen, die tot Nordhorn konden
varen. Een aardig, zij het beperkt inzicht in de goederen, die hier destijds
door de factoors werden verhandeld geeft het gedicht van Gerrit van der Horst,
getiteld: "Het Overijssels oog of Zwol verheerlijkt":
"Hoe lost, hoe laadt men hier? Een Amelander smak
komt ginds met tarw' gelan aanbruisen over 't vlak.
Hier ank'ren Vriesche tjalk en koggen,
zwaar belaaden
Met haver, zout en garst of and're koorenzaaden".
Raapkoeken en zout, stijfsel, azijn en tabakspijpen waren de belangrijkste
goederen die Zwolle in de tweede helft van de 18e eeuw uitvoerde. Ook werden
er agrarische produkten, zoals boter, boekweit, rogge, wortelen en het van Sallands
akkermaalshout afkomstige run, via Zwolle naar Holland verscheept. Maar de transitohandel
van koloniale waren, gezaagd hout, wijn en rogge was belangrijker. Er bestond
een soort ruil van door de Verenigde Oostindische Compagnie via Amsterdam aangevoerde
waren tegen produkten van Westfaalse nijverheid. O.a. de gevelsteen van het
Utrechtse veerhuis herinnert daar nog aan.
Aan de overkant van de Thorbeckegracht, dus aan de stadskant, ontstond een soort
industriegebied. Al gauw ontstonden hier koffiebranderijen en zeep- en zoutziederijen.
De Zwolse linnennijverheid ging echter in de 18e eeuw achteruit, voornamelijk
door de bloei van de Twentse linnennijverheid, hoewel met name de opkomst van
de Almelose textielnijverheid het Zwolse scheepvaartverkeer aan het eind van
de 17e eeuw had bevorderd. Van de 1.000 Zwolse weefgetouwen in de twintiger
jaren van de 18e eeuw waren er in 1751 nog maar 80 stuks over.
In 1675 was in Zwolle het gemiddelde inkomen per burger het hoogste van Overijssel en zelfs twee maal zo hoog als dat in Kampen. En ook in de 18e eeuw bleef het het hoogste al daalde het ten gevolge van de enorme bevolkingsgroei. Met de huisvesting was het echter minder rooskleurig, al verrezen er tal van herenhuizen omdat de stad ook populair werd als woonplaats voor renteniers. In 1723 telde Zwolle bijv. 51 bewoonde kelders op totaal 2.000 huizen.
Door hun goede financiële positie gingen veel Zwolse burgers er toe over om
geld te lenen aan de adel. Deze bouwde en bewoonde veelal grote herenhuizen,
bijv. in de Kamperstraat. De adel belegde zijn geld echter bijna uitsluitend
in land. Door hypotheken te verstrekken op adellijke landhuizen profiteerde
dus vooral een groep gegoede middenstanders van de achteruitgang van de adel.
Deze groep, die politiek niets had in te brengen, zou zich weldra ontpoppen
als de Patriotten.
De arbeiders vormden echter een veel grotere groep ontevredenen. Er veranderde
namelijk niets aan de lonen, terwijl na 1755 de graanprijzen wel enorm stegen.
Bovendien werd de belasting steeds meer geheven in de vorm van accijnzen, dus
op consumptiegoederen en levensmiddelen. Dat maakte het de arbeiders steeds
moeilijker om rond te komen. De komst van de aardappel, een gevolg van de hoge
graanprijzen, bracht maar tijdelijk uitkomst.
In Zwollerkerspel was in de 18e eeuw meer dan 90% van de grond eigendom van de adel, terwijl maar liefst 1/3 deel van de bevolking zich in leven moest zien te houden als dagloner.
De 18e eeuw is dan ook een periode van sterke migratie. Ten eerste was er
een grote trek van dienstboden naar Holland. Ten tweede trokken jaarlijks hannekemaaiers
en marskramers in textiel uit de streek rond Mettingen naar Holland. Via het
naar hen genoemde Poepershoek bij Berkum, gingen zij naar Friesland en Holland
om daar als seizoenarbeiders te werken. Niet alleen profiteerden de Zwolse herbergen
van die jaarlijkse trek, maar ook bleven er heel wat Duitsers hangen, bijvoorbeeld
door huwelijk, waarna hun kinderen of kleinkinderen naar Holland trokken. Zwolle
kan in die tijd dus gelden als een genealogische doorlaatpost.
Later, in de Franse tijd, verslechterde de economische situatie in Zwolle snel.
Door het Continentaal stelsel stagneerde de internationale transitohandel en
bedrijven die voor de internationale markt produceerden, verdwenen.