Al sedert de middeleeuwen is Zwolle een belangrijk onderwijscentrum. Indertijd
ontstond er, zoals overal, een school bij de plaatselijke parochiekerk. Die
school was onderhorig aan het kapittel van Deventer, maar het Zwolse stadsbestuur
wist de school daarvan los te maken. In 1374 werd Johan Cele rector en kwam
de Latijnse school tot grote bloei. Johan Cele was een echte onderwijsvernieuwer.
Helemaal in overeenstemming met de beginselen van de moderne devoten benadrukte
hij karaktervorming boven kennisoverdracht. Hij had buitengewone opvoedkundige
gaven die hij vooral gebruikte om zijn leerlingen op te voeden tot oprechte
vroomheid. Hij bracht een heel nieuw soort onderwijs, een soort voorloper van
het gymnasiaal onderwijs. Uit heel Nederland, Duitsland, Vlaanderen en zelfs
uit Frankrijk kwamen honderden leerlingen naar Zwolle om de lessen van Johan
Cele en de zijnen te volgen.
Maar ook het rectoraat van Johan van Dalen heeft veel bijgedragen tot de bloei
van de Zwolse Latijnse school. Soms telde de school wel 800 tot 1.000 leerlingen
en in 1443 werd dan ook besloten om een nieuw apart gebouw voor het beroemde
onderwijsinstituut te bouwen. Op dat moment was zij nog gevestigd op de hoek
Voorstraat-Luttekestraat waar later de Waag kwam. In 1449 kwam naast het stadhuis
aan de Lombardstraat de Latijnse school gereed, die met 32.000 stenen gebouwd
was en 36 grote ramen en 8 gevelbeelden telde waaronder één van Gregorius, de
beschermheilige van de Moderne Devotie.
In 1440 werd al vrijgeleide gegeven aan, zoals dat heette, vreemde klerken,
d.w.z. jongelui van elders, die de Zwolse stadsschool wilden bezoeken. Het was
overal bekend dat Johan Cele een nieuw soort onderwijs gaf dat een verbinding
vormde tussen wat wij nu zouden noemen basisonderwijs en de universiteit. In
Zwolle kon men basisonderwijs volgen in het Ter Kinderhuys of Ceciliaconvent,
een vestiging van de zusters des gemenen levens aan de Broerenstraat, het latere
Weeshuis. Daar leerde men schrijven op wastafeltjes met houten of metalen griffels
en het Onze Vader en andere gebeden lezen.
Op de toenmalige Latijnse school werd niet alleen aan het Latijn, maar ook aan
muziek, in de vorm van kerkzang, veel aandacht besteed. De leerlingen moesten
bijvoorbeeld 's morgens om zes, zeven uur en om negen uur naar de kerk om er
de Gregoriaanse mis te zingen. Zoals bekend woonden zij in de fraterhuizen.
De broeders des gemenen levens verdienden hun brood immers gedeeltelijk met
het bieden van onderdak en het in de kost hebben van de leerlingen. Dat daarbij
ook lastige kostgangers waren spreekt wel vanzelf. Er kwamen dan ook bepalingen
die studenten verboden om na het luiden van de klok bier te drinken en op straat
te komen zonder lamp. Ook mochten zij geen lange messen of andere wapens dragen.
Deze bepalingen van 1460 zijn het gevolg van de beruchte studentenmoord van
1459.
Op 2 april 1459, 's morgens rond negen uur, klopte de student Geert van Loe aan bij het fraterhuis. Hij haalde er zijn stadgenoot, de Maastrichtse student Reinier van Honthorst, op om met hem naar zijn kamer in de stad te gaan. Maar al binnen het uur was hij terug bij het fraterhuis om er, zogenaamd op verzoek van Reinier, al diens geld en goed te halen. Als bewijs liet hij de pater procurator van het fraterhuis, pater Rutger van Doetinchem, een sleutel van Reinier zien. De goedgelovige pater voldeed aan het verzoek en lange tijd besteedde niemand er enige aandacht aan. Pas nadat Geert van Loe veel later Zwolle had verlaten zonder dat Reinier weer was komen opdagen werd men achterdochtig. En zes weken na het vertrek van Geert van Loe groef men in de stal van zijn kosthuis een koffer op waarin men het in stukken gehakte lijk van Reinier van Honthorst vond. De richter van de Veluwe slaagde er in om Geert van Loe in Arnhem te arresteren. Welk vonnis hij kreeg is onbekend.
Ondanks die gruwelijke gebeurtenis bleef het Zwolse gymnasium tot onder Karel
V het geestelijk middelpunt van Noord-Nederland. Het telde onder zijn leerlingen
diverse latere beroemdheden zoals Wessel Gansfort en de latere Nederlandse paus
Adrianus VI. In de 16e eeuw ging de school echter sterk achteruit. Erasmus vergeleek
het Latijnse onderwijs in Zwolle zelfs met het balken van een ezel of het loeien
van een stier. Er werd dan ook een nieuwe, bekwame rector gezocht. Die werd
omstreeks 1520 gevonden in de persoon van Gerard Listrius die het lesmateriaal
moderniseerde en o.a. Lutherse werken op het leerprogramma plaatste. Maar juist
daarom moest hij al in 1522, vooral op last van de Dominicanen, Zwolle weer
verlaten.
Na de hervorming, in de 17e eeuw, heeft vooral dominee Schuttenius zich ingezet
voor verbetering van het onderwijs en wel van wat wij tegenwoordig het basisonderwijs
zouden noemen. Hij voerde de Heidelbergse Kathechismus in, die gedrukt werd
bij Zacharias Heins, een vriend van Joost van den Vondel. Heins, gevestigd vlakbij
de hoek Voorstraat-Korte- Kamperstraat, heeft als schoonvader van Bartjens dochter
veel werken van deze spreekwoordelijke schoolmeester gedrukt. Willem Bartjens
kwam namelijk in 1618 vanuit Amsterdam naar Zwolle. Van hem is vooral het rekenboek,
"Cijferinghe" bekend dat overal in Nederland tot ver in de 19e eeuw
gebruikt werd. Dat boek had zo'n gedegen reputatie dat wij nu al eeuwenlang
de juistheid van berekeningen en zelfs van uitspraken onderstrepen door er "volgens
Bartjens" aan toe te voegen.
Ook in de 18e eeuw stond het onderwijs in Zwolle op een hoog peil. De stad telde
toen negen schoolmeesters, wat erg veel is gezien het toenmalige inwonertal.
Vrijwel alle onderwijsinstituten bleven gevestigd in wat nu wel het Celekwartier
wordt genoemd: het gebied tussen de Blijmarkt, de Papenstraat en de Lombardstraat.
Daar vond men ook het hofje van Cele, de woning van de beroemde rector. De bekende
onderwijzer Oostkamp uit het begin van de 19e eeuw, die ook de korte geschiedenis
van Zwolle schreef, woonde in de Papenstraat, in hetzelfde huis waarin later
de bekende bioloog Heymans woonde. Intussen was, ook dankzij de inspanningen
van het plaatselijke schoolbestuur onder leiding van Jan ter Pelkwijk, in 1807
de leerplicht ingevoerd.
Vooral de Maatschappij tot het Nut van het Algemeen deed veel voor het onderwijs.
Voor kinderen van de eigen leden werd de Nutsschool opgericht in de Bitterstraat
en in 1821 werd aan de Blijmarkt begonnen met de armeninrichting. Men wilde
namelijk de situatie van de armen verbeteren door aan "behoeftigen"
onderwijs te geven. Sinds 1827 was er ook een bewaarschool aan de armeninrichting
verbonden. In 1839 verhuisden deze onderwijsinstellingen met in totaal zo'n
900 leerlingen naar de Genverberg, vlak naast het Kerkburgje waar later het
huis van de commissaris van de Koningin verrees.
In verband met de ingebruikneming van de Rijks-HBS werd in 1868 bij het stadhuis
een opleidingsschool opgericht, de Brouwerschool, die daar tot 1936 heeft gestaan.
En het was de bekende Zwollenaar Johan Rudolph Thorbecke, toen minister-president,
die de wet op het middelbaar onderwijs tot stand bracht waarbij de HBS werd
geintroduceerd. In 1867 kwam in Zwolle op de Begijnenweide, dus op grond van
de zusters des gemenen levens, de Rijks- HBS met, in het begin, 74 leerlingen.
Al in 1876 werd daar het eerste meisje, Geertje Muijderman, dochter van het
hoofd van de Nutsschool, toegelaten. Vanaf 1829 hadden meisjes de Franse school
kunnen bezoeken die in 1880 werd veranderd in een openbare meisjesschool voor
ULO
Margot Antink, de bekende schrijfster, heeft hier nog les gegeven. Ook de school
voor gereformeerde leerlingen, later de christelijke MULO, was sinds 1869 in
het Celekwartier, en wel in het Fraterhuis, gevestigd. Voordien had dit Fraterhuis
onderdak geboden aan de Franse school in de 18e eeuw en daarna tot 1820 de Nederduitse
school en vervolgens aan de bewaarschool voor "kinderen van fatsoenlijke
stand". Tenslotte is het Fraterhuis ook nog muziekschool geweest. En in
de vroegere kapel van het Olde Begijnen Convent kwam in 1853 bij de wederinvoering
van de bisschoppelijke hiërarchie een rooms-katholieke jongensschool, de voorloper
van de St. Aloysiusschool die in 1962 werd opgeheven.
Wij willen hiermee ook laten zien dat tot ver in de 19e eeuw in tal van 15e eeuwse gebouwen scholen gevestigd waren. Zo ook de praktische ambachtsschool waaruit de MTS en later de HTS ontstond. Deze school begon in het Pestengasthuis en verhuisde pas in 1898 naar het Flevogebouw en in 1934 naar het gebouw in de Hortensiastraat. Het onderwijs is in Zwolle dus door de eeuwen heen nauw verbonden gebleven met de Moderne Devotie en met de 15e eeuw, de gouden eeuw van de stad.