De archeologie biedt door middel van opgravingen een welkome aanvulling op de geschreven geschiedenis. In Zwolle zijn door de grote stadsbrand van 1324 nauwelijks geschreven berichten van voor die tijd behouden gebleven. Maar dankzij tal van opgravingen weten we toch het nodige over de periode daarvoor.
Geschiedenis begint bij de oudste geschreven berichten. Wat zich daarvoor
heeft afgespeeld noemen wij voorgeschiedenis of prehistorie. Voor gegevens uit
die tijd zijn wij aangewezen op bodemvondsten.
Ook waar Zwolle nu ligt zijn sporen van prehistorische bewoning gevonden. Deze
plek was dan ook ideaal om te wonen. Zwolle ligt namelijk op een uitloper van
de noordoost-Veluwse stuwwal tussen de IJssel en de Vecht. Het was dus een hooggelegen
plek die ook bij de hoogste waterstanden niet onderstroomde. Zwolle, oorspronkelijk
Suolle, betekent taalkundig trouwens ook heuvel of drempel.
Er moet daar al vroeg kontakt geweest zijn met Friesland. Want in 1964 is in
Westenholte een scherf Fries streepbandaardewerk uit het begin van de jaartelling
gevonden. En ook was er ontakt met Twente, Westfalen en Drenthe en zelfs met
het Rijnland. Bij de bouw van het stadhuis is namelijk veel laat 8e- en vroeg
9e eeuws aardewerk gevonden, afkomstig uit plaatsen rond Keulen. In deze tijd
rond het jaar 800, ontstond hier waarschijnlijk definitief een nederzetting.
Dat gebeurde als een onderdeel van de gekombineerde kerstening en kolonisatie
die Karel de Grote vooral met militaire middelen uitvoerde.
De geschiedenis van Zwolle begint in 1040, want de oudste schriftelijke vermelding
van de plaatsnaam dateert uit dat jaar. Dan wordt de plaatselijke parochiekerk
vermeld, die gewijd is aan de schutspatroon Michael. En dat is in verschillende
opzichten opmerkelijk.
Ten eerste weten wij dat kerkjes, gewijd aan de aartsengel Michael, vrijwel
altijd in heel Europa, tot in Rusland toe, gebouwd waren op een gebiedje tussen
twee riviertjes, die zo een een eilandje vormden. Een situatie die wij ook in
Zwolle terugvinden. Ten tweede het feit dat de schutspatroon in Zwolle is afgebeeld
als een krijgsman met een schild en een zwaard, in gevecht met de draak zoals
ook Cyriacus, de beschermheilige van Dalfsen. Dat wijst er op dat hij geliefd
was bij soldaten. Het is een aanwijzing dat Zwolle gesticht is door beroepssoldaten
die na hun diensttijd, bij wijze van pensioen, grond kregen van de Frankische
koning. Daar begonnen zij dan, na ontginning, een boerenbedrijfje.
Ten derde wijst de naam Michael op Angelsaksische zending in dit gebied, want
juist bij de Angelsaksen was hij bijzonder geliefd als schutspatroon. Het staat
trouwens vast dat Liudger en Lebuinus rond 770 Deventer hebben gesticht in het
toen vijandige Saksische gebied over de IJssel. En misschien herinnert Deventer
wel aan de Engelse plaats Daventry.
Waar de oudgedienden zich vestigden en o.a. gezamenlijk de bossen ontgonnen, vormden zich een gemeenschap die "marke" werd genoemd. Aan het hoofd daarvan stond een marke-richter, misschien wel de vroegere legeraanvoerder van de oudgedienden. Naast deze vrije boeren leefden er ook vele onvrijen of horigen, waarschijnlijk hun krijgsgevangenen en later de nakomelingen daarvan. De horigen waren verbonden aan de grond die zij bewerkten. Zij konden ook met die grond verkocht worden, maar niet los daarvan. Daarmee waren zij dus verzekerd van een bestaansminimum, al waren zij niet vrij om zich elders te vestigen. Ook moesten de horigen regelmatig voor niets herendiensten verrichten voor hun heer. De vrije boeren kwamen twee keer per jaar bij elkaar om samen met een vertegenwoordiger van de Frankische koning, later de Duitse keizer, de belangen te bespreken van de vele nabije buurschappen, maar tenslotte van heel Overijssel en Drenthe. Dat gebeurde in november, ofwel "te hooi" en in mei, ofwel "te gras". De Spoolderberg, het eerste rivierduin aan de overkant van de IJssel, gerekend vanuit het Frankische rijk, was de plaats van samenkomst. Later werden daar de nieuwe landsheren ingehuldigd. Nu is er nog maar een klein heuveltje van over vlak bij de Spoolder-rotonde.
De vertegenwoordiger van de vorst werd graaf genoemd. Hij was een ambtenaar
die namens de koning recht sprak en militairen opriep en deze eventueel ook
aanvoerde. Op den duur werd hij onafzetbaar door het ontbreken van een krachtig
centraal gezag, wat veroorzaakt werd door de in die tijd slechte verbindingen
en ook doordat er destijds niets schriftelijk werd vastgelegd.
Geleidelijk vroeg de koning aan deze graven extra verplichtingen. In oorlogstijd
moesten zij dienst doen als ruiter en dus moesten zij ook een paard hebben en
dat onderhouden, er regelmatig mee oefenen, enz. Dat bracht extra kosten met
zich mee en dat stelde de vorst voor een probleem. Juist in die tijd verdween
namelijk het geld als betaalmiddel doordat de Mohammedaanse Arabieren de kusten
van de Middellandse Zee bezetten en daarmee de handel onmogelijk maakten. De
koning loste het betalingsprobleem op door de graven de inkomsten van hun funktie
te gunnen. Dat wil zeggen, dat zij bijvoorbeeld boetes in eigen zak mochten
steken evenals de inkomsten van de tol die zij mochten heffen. Daarmee kregen
zij vanzelf meer gezag in hun gouw en ten gevolge daarvan kregen zij meer en
meer de allures van een vorst. Geleidelijk gingen zij zich ook allerlei rechten
aanmeten van hun koning, zoals het stichten van steden, het verklaren van oorlog
en het heffen van belastingen. Ook kregen zij als extra beloning voor hun ruiterdiensten
grond in leen, die al gauw als hun eigendom werd beschouwd, ook alweer bij gebrek
aan schriftelijk bewijs, terwijl bovendien de funktie van graaf erfelijk werd.
De oorspronkelijke ambtenaren waren zodoende de zogenaamde landsheren geworden,
soeverein op klein gebied.
De groeiende macht van de graven betekende echter tegelijkertijd een afbrokkeling
van de macht van hun vorst, in die tijd de Duitse keizer. Die vond hiervoor
een oplossing door voortaan bisschoppen te benoemen tot ambtenaar en leenman.
Een bisschop kon immers niet erfelijk opgevolgd worden, dus was er geen gevaar
dat hij de door hem bestuurde gebieden feitelijk zou losmaken van het keizerrijk.
In deze streken kreeg de bisschop van Utrecht niet alleen Utrecht zelf in leen,
maar ook al gauw de Veluwe, het land van Vollenhove, Salland, Twente en ook
Drenthe met de stad Groningen.
Maar in 1122 verbood men de keizer nog langer bisschoppen te benoemen. Sindsdien
verloor de keizer zijn belangstelling voor hen en gaf hij ze geen steun meer.
De macht van de bisschoppen brokkelde af en hun edelen begonnen nu op hun beurt
eigen rijkjes te stichten, binnen het bisdom Utrecht. Eén van die opstandige
edelen was Rudolph van Coevorden die heel Drenthe beheerste.
Toen de bisschop in 1227 aan het hoofd van een ridderleger tegen hem optrok,
wachtte Rudolph hem op bij het riviertje de Ane achter een moeras. De aanval
van de zwaargewapende ridders op de Drentse boeren werd een ramp. De ridders
en ook de bisschop zakten weg in in het moeras en werden doodgeknuppeld.
De nieuwe bisschop van Utrecht, Willebrand van Oldenburg, trok direkt na zijn
verkiezing op tegen de opstandige Drenten. Hij werd daarbij financieel gesteund
door de Zwollenaren die door het optreden van Rudolph van Coevorden hun verbinding
naar het noorden via Coevorden in gevaar zagen komen. De Zwollenaren hielpen
hun bisschop met name met de bouw van een versterkt huis op een hoog gelegen
plek aan de Vecht, waar later Hardenberg zou ontstaan. In 1230 werden zij voor
hun steun beloond met het stadsrecht.