[ Repertorium ] [ Inhoudsopgave inleiding] [ Protocollen ]

Help

Protocol BB

Vorige ]

Protocol BB (Bisschoppelijk archief nr. 272) is een band, die bestaat uit een perkamenten omslag, 2 schutbladen en 11 katernen papier, die in totaal 14, 125 en 10 bladen omvatten, verdeeld over de katernen 1, 2-10 en 11.

Bij deze band ligt een portefeuille met daarin 8 uit BB afkomstige losse stukken. Op elk stuk is aangegeven bij welk blad van BB het heeft gelegen. De omslag van protocol BB heeft aan de buitenzijde van zijn achterplat in thans moeilijk leesbaar 15de-eeuws schrift een titel: "Registru[m] feodaliu[m] bo[norum] terra[rum] Salland[ie], Twenth[ie], Drenthie et Vollenhoe" met een latere toevoeging "Episcopi Friderici". Op de buitenzijde van het voorplat en op het schutblad voorin de band is deze titel in moderner schrift en met enigszins afwijkende spellingen herhaald. Bovendien heeft dit voorplat het kenmerk "B". Van de genoemde 11 katernen bevat de eerste een tafel op de voornamen van personen, die in de periode 1393-1423 zijn beleend, terwijl de laatste katern een alfabetische index op diezelfde voornamen bevat.

In de katernen 2-10 zijn de beleningen geregistreerd, die zich uitstrekken over het tijdvak 7 september 1393 tot 6 september 1423 en alleen betrekking hebben op Overstichtse lenen.

Deze laatstgenoemde 9 katernen zijn voorzien van 2 onderling niet-harmonirende folio-nummeringen in romeinse cijfers I-CVI en in arabische cijfers 1-112. 13 onbeschreven bladen, die op fol 112 volgen, zijn ongenummerd gebleven. De oudste van deze 2 bladnummeringen, de romeinse, heeft de eigenaardigheid, dat deze steeds betrekking heeft op 2 tegenover elkaar liggende bladzijden, zodanig, dat het romeinse cijfer staat in de buitenmarge van de verso-zijde van een blad en alleen betrekking heeft op die verso-zijde benevens op de recto-zijde van het daarop volgende blad. De arabische nummering, die veel jonger is, is op de gewone wijze toegepast en aangebracht, wat wil zeggen, dat hij rechtsboven op de recto-zijde van een blad staat en tevens betrekking heeft op de verso-zijde van dat blad. Volgens de romeinse nummering heeft "II" daarom betrekking op fol 2v en fol 3recto volgens de arabische nummering. Dat blijkt uit de genoemde naamtafel en index, die naar deze romeinse nummering verwijzen. Alleen "I" heeft, zoals uit deze 2 bronnen blijkt, betrekking op de 3 bladzijden fol 1 recto en verso benevens 2recto.

Ook in andere opzichten harmoniëren de beide bladnummeringen niet, wat gedeeltelijk daaraan ligt dat in het oudste systeem zowel sommige onbeschreven bladzijden als de ruggen van de katernen ongenummerd zijn gebleven. Een andere oorzaak van deze disharmonie is, dat terwijl de arabische nummering gewoon doorloopt van 1 tot 112, de romeinse een hiaat vertoont. Na het fol 20v aangetekende "XX" volgt op fol 21v meteen "XXIII". "XXI" en "XXII" ontbreken dus. Dat het hierbij gaat om een hiaat en niet om een fout bij het nummeren blijft uit de genoemde naamtafel en index, die de beide nummers wel vermelden. Blijkbaar ontbreken er tussen fol 20 en 21 2 bladen, die al verloren waren toen de arabische nummering werd aangebracht. Deze ontbrekende bladen zullen verder als fol 20a en 20b worden aangeduid.

Uit de genoemde naamtafel en index blijkt ook, dat fol 20a en 20b niet onbeschreven waren. De naamtafel vermeldt 23 namen van 22 verschillende personen, waarvan de beleningen op deze folia waren geregistreerd. Aangetekend waren deze beleningen, naar uit de tafel blijkt, op de tweede helft van fol XX, op fol XXI en op de eerste helft van fol XXII. Voorzover de genoemde personen met bepaalde leengoederen in verband konden worden gebracht is daarvan in het repertorium onder de betreffende nummers melding gemaakt. Bovendien zijn de 23 namen in de bijlage V vermeld in de volgorde van de naamtafel met daarachter de betrokken repertorium-nummers. In 6 gevallen bleek het niet mogelijk een verband als hier bedoeld te leggen.

Het is overigens niet zeker, dat alle namen van beleende personen, die op fol 20a en 20b voorkwamen, een plaats in de naamtafel hebben gekregen. Want uit een vergelijking van de tafel met de andere registraties blijkt, dat deze in de laatste maanden van 1416 of in de loop van 1417 is aangelegd en dat daarin in principe alleen de namen van die personen zijn opgenomen, die ten tijde van de samenstelling nog werkelijk in leven en in het bezit van het betrokken leengoed waren. Niet in de naamtafel genoemd zijn dus in principe diegenen, die in 1417 al overleden waren of hun leengoed hadden vervreemd. Dat gold echter alleen in principe. Want de samensteller van de tafel heeft zich niet consequent aan deze regel gehouden. Zo wordt onder "xx folio" de naam van "Godeken van Wolde" genoemd, die blijkens nr. 1097 (Geetkate te Agelo) al vóór 12 augustus 1399 was overleden. Maar in het algemeen moet er toch van worden uitgegaan, dat de samensteller zich ten aanzien van de op de folia 20a en 20b vermelde namen beperkt heeft.

Voor wat de beleningen aangaat, die na 1416 hebben plaatsgevonden, is de tafel door verschillende handen aangevuld en bijgehouden. In veel gevallen is dat gebeurd via doorhaling van de oude naam en aanvulling van de nieuwe naam achteraan in de tafel, terwijl in andere gevallen ter plaatse van de doorhaling een andere naam werd bijgeschreven. Dat is in het bijzonder in die gevallen gebeurd, waarin de nieuwe belening alleen via tekstwijziging was vastgelegd. De index achterin BB bevat niet meer gegevens dan de naamtafel voorin. Deze index dateert kennelijk van na 1423, want hij bevat geen veranderingen en aanvullingen maar vermeldt wel de namen van personen, die pas in 1423 werden beleend. Waarschijnlijk is de index pas in of na 1433 aangelegd en wel naar het zich laat aanzien aan de hand van de naamtafel. Want hij bevat geen namen, die in de tafel ontbreken en evenmin die, die in de tafel zijn doorgehaald.

Van na 1433 stamt ook het eerste blad van de naamtafel evenals thans een aanzienlijk gedeelte van het eigenlijke protocol, dat wil zeggen de folia 1-50, die zijn ingebonden als katernen 2-5. Dat het daarbij om afschriften gaat blijkt daaruit, dat de tekst doorlopend is geschreven, zowel daar waar het gaat om een oorspronkelijke aantekening als om de vele gedateerde aanvullingen en tekstwijzigingen. Deze zijn alle ter plaatse van één hand, afgezien dan van sommige van de gebruikers afkomstige commentaren. Dikwijls volgen oorspronkelijke tekst en latere aanvulling elkaar op zonder enige visuele markering, zodat het lezen een kwestie van interpretatie wordt, waarbij de vermelding van (andere) leengetuigen en een in verband met de plaats in het protocol afwijkende datum als signalen dienen.

Want zowel in BB als in latere protocollen werden gebeurtenissen als het optreden van een nieuwe hulder niet aangetekend op een in verband met de chronologische volgorde passende plaats in het protocol maar achter of in de marge van een eerdere aantekening betreffende het betrokken leengoed in hetzelfde protocol. Hetzelfde gebeurde soms bij het optreden van een nieuwe leenman of -vrouw, waarbij het meestal om een tekstverandering of aanvulling aan het begin van of boven de aantekening ging. Deze procedure werd in het bijzonder gevolgd, als het bij de leengoederen om een omvangrijk geheel ging, maar alleen als er in hetzelfde protocol een eerdere registratie te vinden was.

Een goed voorbeeld in verband met hulderschap vormt het op fol 1v aangetekende betreffende een belening van Jutte, dochter van Huge van der Halle, op 12 december 1393 met nr. 1392 (tienden van Twee Wildinge, enz. in de Leeuwte). Achter de naam van haar man, die in 1393 als hulder optrad, volgt zonder enige onderbreking of nadere aanduiding de naam van haar volgende hulder Huge Gheye, gevolgd door de plaats (Deventer), waar deze zijn hulde deed, de datum (20 februari 1423) en de namen van de leengetuigen, die daarbij aanwezig waren. Deze hulder trad dus pas in 1423, 30 jaar later, op, maar uit het schrift, interpunctie, enz., blijkt dat niet. In andere gevallen zijn er bij toevoegingen in de oorspronkelijke tekst weliswaar geen veranderingen in het schrift zichtbaar, maar bevat de tekst zelf wel waarschuwende doorhalingen van overbodig geworden gedeelten van het oorspronkelijk aangetekende. Dergelijke doorhalingen zijn door de kopiist in veel gevallen getrouw overgenomen. Dat doet zich bijvoorbeeld - naast vele andere - in verband met het optreden van een nieuwe leenman voor op fol 2v, waar het gaat om een tekstverandering van 24 februari 1423 en op fol 27v wegens een wijziging van 7 oktober 1422 [271].

Uit deze voorbeelden blijkt tevens, dat het kopiëren na 24 februari 1423 plaats moet hebben gevonden en wel, in aanmerking genomen dat bisschop Frederik van Blankenheim op 9 oktober 1423 overleed, waarschijnlijk in 1433 of later. Want tengevolge van de strijd om de opvolging van bisschop Frederik, die leidde tot het Utrechtse Schisma (1423-1433), was zijn opvolger Rudolf van Diepholt pas in 1433 in de gelegenheid zich als leenheer te laten huldigen [272]. Pas toen zal er behoefte hebben bestaan aan een goed hanteerbaar leenprotocol van zijn voorganger. Waarschijnlijk was dit protocol, dat toen nog uit losse katernen moet hebben bestaan, gedurende het Schisma zo slecht beheerd, dat de katernen 2-5 in verband met schade moesten worden vervangen samen met het eerste blad van de naamtafel. Dat het protocol sedertdien intensief is gebruikt blijkt uit verschillende oriënterende toevoegingen door andere handen, zoals "mortuus", "habet plura", enz.

In dit gekopieerde gedeelte van BB zijn tenminste 2 verschillende handen te onderscheiden. Van een eerste, regelmatige, rustige en vrij nette hand stamt een groot gedeelte van katern 2 tot aan fol 12 toe, terwijl een tweede hand, die veel onrustiger en gehaaster overkomt, verantwoordelijk is voor het overige. Deze hand registreerde in de jaren 1433-1440 naast anderen tevens vele beleningen in het protocol BC. Bovendien stammen van hem de meeste aantekeningen over de jaren 1420-1423 in het originele gedeelte van BB evenals de met die aantekeningen verband houdende aanvullingen in de naamtafel. Een gedeelte van zijn afschriften in BB is zeer rommelig en slordig, in het bijzonder de folia 21-29. Van deze hand vallen ook een aantal verbasteringen van geografische aanduidingen op, zoals "Echler" voor "Echteler" en "Umninchem" voor "Emlichheim", "Willenbeyn" voor "Wilmening" en "Raeto" voor "Roede" [273].

Vanzelfsprekend doet zich bij de afschriften de vraag voor of de kopiist het origineel volledig heeft gekopieerd. Op het eerste gezicht maakt het thans aanwezige wel die indruk. De van vóór 1433 daterende romeinse folio-nummering loopt vanaf fol 50 gewoon door en de meeste bladzijden maken een gevulde indruk. Maar daar staat tegenover, dat de naamtafel onder "sexto folio" een "Egbert Hake van den Rutenberge" vermeldt, wiens naam en belening met nr. 77 (Rutenberg te Ankum) thans op de betreffende plaats in het afschrift of elders in BB niet meer te vinden is. Maar wat meer is: een vergelijking van in BA1 vermelde beleende personen en het voorkomen van hun namen in BB, bracht aan het licht, dat daar na 1397 80 personen als onlangs overleden of in verband met de vervreemding van hun leengoed worden genoemd, die eerder wel in BA1 maar niet in het de jaren 1393-1397 bestrijkende gedeelte van BB worden vermeld. Dat is verrassend, want men zou verwacht hebben deze namen aan te treffen onder diegenen, die in 1393 en volgende jaren hulde aan de nieuw-opgetreden bisschop hadden gedaan en door hem met lediger hand waren beleend [274].

Dat deze 80 personen in de genoemde jaren niet worden vermeld kan niet daaraan liggen, dat leenmannen, die alleen hulde deden, in principe niet werden geregistreerd, want vele andere beleningen met lediger hand zijn wel aangetekend. Het kan daarbij ook niet gaan om beleningen, die waren geregistreerd op de verloren folia 20a en 20b. Want op die bladen was als we afgaan op de inhoud van de aangrenzende folia hoogstens plaats geweest voor 24 à 30 beleningen, terwijl er bovendien via de vaak-genoemde naamtafel 22 namen van daar geregistreerde beleende personen bekend zijn, die geen deel uitmaken van de groep van 80. Het is mogelijk dat het nooit tot registratie van deze 80 beleningen was gekomen, wat erop zou wijzen, dat de aantekeningen in protocol BB even weinig compleet zijn als die in BA1. Uit andere bronnen zijn er meerdere beleningen bekend, die in BB ontbreken [275]. Waarschijnlijker is het echter, dat het hier gaat om in het origineel doorgehaalde posten, die als zodanig door de kopiist zijn weggelaten overeenkomstig de veel talrijkere weglatingen in de naamtafel en index.

De folia 51-112, die de katernen 5-9 uitmaken, zijn origineel. De aantekeningen daar, die de jaren 1403-1423 betreffen, stammen van verschillende handen en zijn op verschillende manieren en kennelijk verschillende tijden gemaakt. Doorhalingen, tekstveranderingen en aanvullingen komen daar ook in grote aantallen voor met alle variaties in handschrift en plaatsing van de aantekeningen, die men in de omstandigheden verwachten kan. Dat ook daar niet elke belening zijn plaats heeft gevonden blijkt uit een originele akte van belening van 25 februari 1423 (RAO, Huisarchief Almelo, nr. 40), waarvan de pendant in BB ontbreekt.

Samenvattend kan daarom worden gesteld, dat de folia 1-50 van BB een afschrift van later datum zijn, waarschijnlijk van 1433 of iets later; dat deze afschriften niet geheel compleet en soms slordig zijn en dat daaraan 2 folia ontbreken, waarvan via de naamtafel en index echter de namen van 22 betrokken leenmannen zijn bewaard.

Noten:

[271]. Vergelijk de nrs. 1937 (Hoenstege te Hesingen) en 1700 (Twee Hedeblingegoed te Ruinen).

[272]. Zijn oudste beleningen stammen van 21 juli 1433.

[273]. Vergelijk de nrs. 1864 (land te Echteler onder Emlichheim), 1870 (Wilmening te Emlichheim) en 1817 (tienden te Rhaa onder Steenderen).

[274]. Vergelijk bijvoorbeeld de repertoriumnummers 127, 150, 158, 173, 177, 218, 245, 265, enz.

[275]. Vergelijk nr. 1385 (Hoge Land te Puthof in de Leeuwte) en nr. 275 (Hof te Pipseler in Weddehoen) in verband met de hierna genoemde akte van 25 februari 1423.