Het repertorium werd in eerste instantie samengesteld in de jaren 1974-1981. Destijds werd het omvangrijke materiaal bewerkt in blokken per tijdvak 1456-1527, 1379-1455, 1528-1613, enzovoorts. In het algemeen werden er per individuele belening fiches gemaakt, die vervolgens per genoemde periode werden herleid tot "stamfiches", die op naam stonden van de per tijdvak oudst-beleende persoon. Daarnaast werden er fiches vervaardigd, die op naam stonden van de afzonderlijke in de beleningen voorkomende goederen. Deze werden na onderlinge vergelijking en identificatie gebruikt voor de samenstelling van een naar buurschap of vergelijkbaar distrikt geordend en genummerd overzicht van alle leengoederen, dat in 1980 gereed kwam. Aan de hand van dat overzicht kwam het in 1980 en 1981 tot de samenstelling van een voorlopige tekst van het repertorium. De redactie van deze tekst was geïnspireerd door die van het "Repertorium op de Nederstichtse leenprotocollen", wat inhield, dat de namen van de beleende personen voorop stonden en direkt werden gevolgd door de datum en een summiere aanduiding van de vindplaats.
Gebrek aan tijd en technische problemen met betrekking tot de verwerking van het tot dan toe alleen in handschrift aanwezige materiaal leidden vervolgens tot een langdurige onderbreking van de werkzaamheden. De bedoelde problemen hielden voornamelijk verband met de vraag hoe een handgeschreven tekst, die rijk was aan namen en zinsneden in oude spelling, te herleiden tot een gedrukte uitgave, zo mogelijk zonder spelfouten. Het beste leek destijds de ontwikkelingen op het terrein van PC en tekstverwerker af te wachten. Pas in 1987 konden in inmiddels op technisch gebied veranderde omstandigheden de werkzaamheden weer worden opgepakt, zij het in beperkte mate en voornamelijk buiten kantoortijd.
Begonnen werd in 1987 met de opbouw van een ondersteunend apparaat in de vorm van chronologische uittreksels uit de leenprotocollen, teneinde een betere greep op hun soms complexe en onoverzichtelijke inhoud te krijgen en tevens de contrôle op de spelling en de volledigheid van de tekst van het repertorium te vereenvoudigen. Bewerkt werden voor dit doel de protocollen over 1433-1805. De oudere protocollen, in het bijzonder BB, leverden zoveel problemen met betrekking tot spelling en interpretatie op, dat er steeds met de originele tekst onder ogen gewerkt moest worden.
Tijdens deze bewerking van de leenprotocollen viel het licht in meerdere mate op allerlei gegevens, die alleen in indirekt verband tot de beleningen stonden maar toch vermelding in het repertorium verdienden, zodat daarvoor plaats gevonden moest worden in noten. Om deze toevoegingen en tevens de vele in de 17de en 18de eeuw naar voren komende nadere omschrijvingen van de leengoederen een overzichtelijke plaats in de tekst te verschaffen werd besloten tot een andere vorm van redactie, een vorm, die in het RAO al eerder was toegepast maar alleen voor repertoria van veel geringere omvang. In deze redactie staan datum en vindplaats voorop en wordt de naam van de beleende persoon pas op een opvolgende regel vermeld. Bij deze keus moest wel heengestapt worden over het aanmerkelijke bezwaar, dat de tekst meer plaatsruimte zou gaan vergen en dus de uitgave in omvang toenemen, naar schatting met ongeveer 20%. Een gedeelte van deze ruimte kon in de huidige uitgave echter worden herwonnen door voor de toevoegingen onder de beleningen een kleinere letter te gebruiken.
In de jaren 1988-1990 is er in beperkte mate volgens de aangeduide lijn verder gewerkt, in en buiten kantooruren, maar pas in de jaren 1991-1994, nadat de auteur met de VUT was gegaan, kon de aanzienlijke hoeveelheid tijd gevonden worden, die nodig was voor het in nieuwe redactie uittypen en corrigeren van de tekst benevens voor het samenstellen van inleiding en bijlagen. Binnen het RAO werd tezelfdertijd capaciteit gevonden voor het zeer omvangrijke werk van het op schijf overzetten van de getypte tekst volgens het tekstverwerkingsprogramma WordPerfect. In het bijzonder de medewerker G.J.G. de Lange had aan deze inspannende en veel nauwkeurigheid vereisende arbeid een groot aandeel. Nadat de gehele tekst foutloos op schijf was gebracht kon daarop langs electronische weg en binnen zeer korte tijd door de op dat gebied ervaren medewerkers jhr. A.J. Gevers en A.J. Mensema een index worden samengesteld. Tenslotte legde de auteur eind 1994 de laatste hand aan de inleiding met welk gebeuren dit uitzonderlijk omvangrijke werkstuk na ruim 20 jaar tot voltooiing kwam.
Zwolle, 1994 E.D. Eijken