[ Repertorium ] [ Inhoudsopgave inleiding]

Help

Vb. De Overijsselse leenkamer

Vorige ] [ Volgende ]

Het jaar 1528 bracht ten aanzien van het voorgaande grote veranderingen. In dat jaar droeg de bisschop van Utrecht zijn landsheerlijke rechten over zowel Nedersticht als Oversticht over aan keizer Karel V, die door de Staten van Utrecht en van het zich ontwikkelende Overijssel als hun landsheer werd aangenomen [179]. Keizer Karel noemde zich in het vervolg heer van Utrecht, Overijssel en Groningen [180].

Als landsheer volgde keizer Karel bisschoppen op, die geen dynastieke vooruitzichten hadden gehad, in het Sticht niet over een eigen machtsbasis hadden beschikt en voor hun inkomsten afhankelijk waren geweest van hun onderdanen. De nieuwe landsheer was een machtig vorst, die voor zijn gezag kon steunen op een eigen leger en de hulpbronnen van een heel wereldrijk, een vorst kortom, die minder dan voorheen naar zijn onderdanen hoefde te luisteren en op eigen gezag bestuurlijke reorganisaties kon doorvoeren.

Tot dergelijke reorganisaties kwam het in 1528 voornamelijk in de top van de gewestelijke besturen en in de indeling van de bestuursdistricten. Aan het hoofd van die besturen stond in het vervolg een stadhouder, die de keizer vertegenwoordigde en in de eerste plaats diens dienaar was. Als zodanig traden aanzienlijke edellieden op, die vreemdelingen waren in hun ambtsgebied en aantraden met een eigen staf van gestudeerde en van elders afkomstige ambtenaren. Stadhouder en staf waren zelf onderworpen aan het gezag van 's keizers Rekenkamer te 's-Gravenhage, dus niet aan enige lokale instelling. Hun taak was in de eerste plaats er op toe te zien, dat de overige ambtsdragers in de provincie zich richtten naar de aanwijzingen van de keizer en zijn centrale regering te Brussel. Tot een reorganisatie van lokaal bestuur en van de rechtspraak kwam het voorlopig niet. Wel werd er gestreefd naar meer eenheid op het gebied van de wetgeving.

In Nedersticht en Oversticht traden in het vervolg verschillende stadhouders op. Bovendien werd onderlinge samenwerking tussen de betrokken statencolleges niet bevorderd. Een gevolg van deze ontwikkeling was, dat de oude maar al sinds lang weinig hechte banden tussen Nedersticht en Oversticht volledig werden verbroken. Maar ook het Oversticht zelf viel in feite uiteen, wat eveneens slechts de bevestiging van een sinds lang ingeleide ontwikkeling was. Zo hadden Drenthe en Groningen vóór 1528 bijvoorbeeld op eigen gezag de hertog van Gelre als landsheer erkend en bleven deze ook in 1528 voorlopig nog erkennen. De Staten van de gewesten Salland, Twente en Vollenhove hadden echter op 25 maart 1528 aan keizer Karel hulde gedaan als "heer van Overijssel". "Overijssel", dat tot dien een wat vaag territoriaal begrip was geweest, dat ook Drenthe omvatte, kreeg in het vervolg een staatkundige betekenis. Onder die naam vormden Salland, Twente en Vollenhove verder een zelfstandige bestuurseenheid, wat onder meer tot uiting kwam in een eigen wapen [181].

Tot deze nieuwe bestuurseenheid werd aanvankelijk ook Drenthe gerekend, maar aangezien de troepen van de hertog van Gelre daar toen heer en meester waren bleef dat gewest voorlopig buiten de regelingen van 1528. Dat voorlopige karakter werd weldra definitief toen ook Groningen en Drenthe zich in 1536 aan het gezag van de keizer onderwierpen. Weliswaar nam keizer Karel toen niet de titel van "heer van Drenthe" aan, maar tot de in 1528 toegezegde "hereniging" kwam het ook niet. Drenthe bleef in het vervolg zelfstandig en datzelfde gold ook voor Groningen. In feite was het Oversticht uiteen gevallen.

Maar in één opzicht bleef de herinnering aan het voormalige Oversticht bewaard: alle leengoederen, die voorheen als Overstichse lenen gegolden hadden, werden in het vervolg geadministreerd door een in Overijssel gevestigde leenkamer, in welk verband zij weldra werden aangeduid als "Overijsselse lenen" [182].

Want met diens landsheerlijke rechten had Karel V van de bisschop van Utrecht ook diens rechten als leenheer overgenomen. In het vervolg trad hij in deze streken niet alleen op als landsheer maar ook als leenheer [183]. Echter, hij trad in Overijssel niet op als feodaal heer van het Sticht maar als leenheer van Overijssel. Dat betekende, dat er aan de in praktijk reeds zwakke eenheid van het Sticht in leenzaken een einde kwam. In 1529 ging er in Overijssel een instituut functioneren, dat aanvankelijk als "Leenhof in Overyssel" werd aangeduid en na de Opstand, in het bijzonder in de 18de eeuw, als "provinciale leenkamer" [184]. De aanduiding "Leenhof" wordt gebruikt in de rekening van de leengriffier over 1528-1540, waarin sprake is van "'t officie van den griffierschepe onses Leenhoffs van Overyssel" [185] en ook in het randschrift van het nieuwe zegel van dit hof "S[igillum] --- CUR[iae] FEUD[alis]" [186].

Dit leenhof, waarvan de naam een zelfstandige instelling doet vermoeden, was in de praktijk nauw verweven met de administratie van 's keizers stadhouder van Overijssel en vormde daarvan in wezen een afdeling, aldus de tradities van vroeger tijd voortzettend [187]. Als voorzitter van dit leenhof trad een "stadhouder" op, die terzijde werd gestaan door een "griffier". Deze autoriteiten werden vóór 1600 gewoonlijk aangeduid als "stadhouder" en "griffier van het leenhof van Overijssel" [188] en na 1600 als "stadhouder" en "griffier van de lenen" of "leengriffier" [189].

Als eerste stadhouder van de lenen in Overijssel trad in 1529 op 's keizers stadhouder van Friesland, Overijssel en (sedert 1536) Groningen, George Schenck van Tautenburg; als eerste leengriffier mr. Lenaert Herdinck, die als griffier van de provincie en als leengriffier in 1530 werd opgevolgd door Bartholomeus van Coelen. Zijn ambtseed deed deze laatste "aan handen onses --- raedts ende stadthouders onses Lants ende Leenhoffs van Overyssel" [190]. Ook onder hun opvolgers bleven de stadhouderschappen en griffierschappen verenigd; wat de stadhouders betrof tot 1589 en voor wat de griffiers aanging tot 1707.
De stadhouder van de lenen verving de persoon van de keizer als leenheer. Hij verrichtte de beleningen, beschikte op verzoeken inzake leengoederen en vaardigde akten van belening uit in 's keizers naam. Deze akten bezegelde hij of liet deze door de leengriffier zegelen met een speciaal voor het nieuwe leenhof vervaardigd zegel. Dat was iets nieuws. De bisschoppen hadden, zoals eerder al is vermeld, steeds met hun gewone zegel gezegeld. Ook keizer Karels opvolger, koning Philips II, liet een op zijn naam staand afzonderlijk leenzegel voor Overijssel vervaardigen, dat tot 1584 in gebruik is gebleven. Gedeputeerde Staten, die vanaf 1593 de leenzaken behartigden, zegelden de leenakten met het grootzegel van de Staten van Overijssel, terwijl de in 1660 opgetreden stadhouder van de lenen een nieuw eigen leenzegel gebruikte, dat tot 1799 in gebruik is gebleven [191].

De griffier van de lenen had de zorg voor de registratie van de beleningen en andere rechtshandelingen, voor het (doen) opmaken van de akten van belening en andere stukken, zoals de verschillende eerder genoemde vergunningen, die op leengoederen betrekking hadden, benevens voor de inning van de heergewaden, de kosten van zegelen en wat de leenmannen verder verschuldigd waren aan leenjura. Over zijn ontvangsten aan heergewaden en zegelkosten moest de griffier tot 1578 rekening doen aan de Rekenkamer te 's-Gravenhage [192].

Naast de stadhouder van de lenen, die tevens een druk bezette stadhouder van Friesland, Overijssel en Groningen was, kwam omstreeks 1570 een plaatsvervangend stadhouder op, die de beleningen verrichtte, de akten van belening uitvaardigde, enz. Deze plaatsvervanger werd aangeduid als "leutenant van den lenen in Overissel" [193]. Dit was destijds een functie van recente datum. Nog in 1569 was er in een dergelijk verband sprake geweest van "Boldewyn van Roon, ridder, alse gecommitteerde van --- onsen stadholder ---" [194]. Onder deze luitenant van de lenen berustte ten minste in later tijd het leenzegel, zoals kan blijken uit een resolutie van Ridderschap en Steden van 27 februari 1591, waarbij aan de drost van Salland en de magistraat van Zwolle werd opgedragen van de erfgenamen van wijlen Roebert van der Beecke, "in synen leven --- lieutenant van den leenen in Overyssell" het onder hun nog berustende oude leenzegel af te vorderen ofwel dat te doen verbreken [195].

Het opkomen van een luitenant-stadhouder van de lenen zal voor een groot deel het gevolg zijn geweest van de onrust, die er sedert 1566 ook in Overijssel heerste en die in 1572 leidde tot een opstand tegen het gezag van de koning van Spanje. Overijssel, dat aanvankelijk had geprobeerd zich afzijdig te houden, ging in 1578 feitelijk aan de Opstand deelnemen al bleef het 's konings gezag tot 1584 toe formeel nog erkennen. Voor taak en werkwijze van de Overijsselse leenkamer brachten deze ontwikkelingen aanvankelijk weinig verandering. Zolang 's konings gezag nog werd erkend vonden de beleningen op zijn naam plaats en werd zijn leenzegel gebruikt.

Het "verraad van Rennenberg" in 1580 leidde echter ook binnen deze provincie tot onderlinge strijd en verdeeld gezag [196]. Naast een Staatsgezinde regering te Zwolle ontwikkelde zich in dat jaar een regering te Oldenzaal, die de zijde van de koning hield. Daarheen trokken zich de koningsgetrouwe ambtenaren uit Zwolle terug en daar zetelde ook de Spaanse stadhouder van Overijssel Francisco Verdugo. Weldra ontwikkelde zich daar ook een leenkamer aan Spaanse zijde met Verdugo als stadhouder van de lenen en Johan Oert als luitenant-stadhouder benevens een eigen leenzegel [197]. Deze "Spaanse" leenkamer te Oldenzaal werd na de verovering van die stad in 1597 door prins Maurits naar Lingen verplaatst, waar hij waarschijnlijk spoedig heeft opgehouden te bestaan. Leenprotocollen of andere onderdelen van het archief van deze instelling zijn thans niet meer bewaard al hebben zij kennelijk wel bestaan [198]. Het gezag van deze leenkamer werd aan Staatse zijde niet erkend, de daarvoor verrichte rechtshandelingen echter wel. Dat blijkt uit de vermelding van dergelijke handelingen in de aan Staatse zijde bijgehouden leenprotocollen. De daar zo nu en dan gebruikte term "averdrachtsbrieff" slaat waarschijnlijk op door de Spaanse leenkamer uitgevaardigde akten van belening [199]. Daarnaast is er een klein aantal originele leenakten bewaard, die van deze instelling zijn uitgegaan [200]. Bijgevolg zijn er van beide leenkamers uit de periode 1580-1584 leenakten bewaard, die op naam van koning Philips staan. Deze laten zich overigens gemakkelijk onderscheiden aan de hand van de daarop gestelde kanselarij-aantekeningen [201].

Toen Overijssel zich in het najaar van 1584 ook formeel aan de zijde van de Opstand schaarde en ophield naar buiten toe het gezag van de koning te erkennen werd de functie van stadhouder van de lenen overgenomen door de nieuw-optredende stadhouder aan Staatse zijde graaf Adolf van Neuenahr. In het vervolg werden de akten van belening uitgevaardigd op naam "der hoger overicheit des Landes van Overissel" [202]. Naast deze stadhouder bleef er een luitenant-stadhouder van de lenen functioneren in de persoon van Robert van der Beecke, dingwaarder en landrentmeester van Salland. Na diens overlijden in 1587 werd Johan Dorre zijn opvolger als landrentmeester, maar er is niets dat er op wijst, dat Dorre ook als luitenant-stadhouder van de lenen optrad. Waarschijnlijk bleef deze functie sedert 1587 onvervuld [203].

Na de dood van de graaf van Neuenahr in 1589 raakte ook de functie van stadhouder van de lenen vacant en werd deze ook niet overgenomen door de in 1590 optredende Oranje-stadhouder prins Maurits. In de omstandigheden werd de drost van Salland in 1591 door de Staten gemachtigd als luitenant-stadhouder van de lenen zelf of door een plaatsvervanger in aanwezigheid van 2 leenmannen beleningen te verrichten of te laten verrichten [204].

In 1593 kwam het tot een meer definitieve regeling in die vorm, dat de zorg voor de leenzaken werd opgedragen aan het zojuist-ingestelde college van "Ordinaris Gedeputeerden" van Ridderschap en Steden, wat wij zouden noemen Gedeputeerde Staten [205]. Deze noemden zichzelf in het vervolg, als zij optraden in kwesties de leenzaken betreffende: "Gecommitteerden totte lheenen" en vaardigden leenakten uit op naam van "Ridderschap en Steden, representirende die Staten der Landtschap van Overyssel", zoals uit de leenakten van omstreeks 1600 blijkt. Zolang de leenzaken door Gedeputeerde Staten werden waargenomen bleven de ambten van stadhouder en luitenant-stadhouder van de lenen onvervuld. Alleen incidenteel werden er in die periode in verband met de afwikkeling van leenprocessen voor korte tijd stadhouders of luitenant-stadhouders van de lenen aangewezen [206]. De handelingen in dergelijke processen vonden voor de Gedeputeerden zelf plaats en werden in de protocollen van door hun genomen besluiten aangetekend. De tijdelijke (luitenant-) stadhouder "visiteerde" alleen met enkele leenmannen de processtukken en deed uitspraak na het bindend advies van een rechtsgeleerde ingewonnen te hebben, zoals in het Overijsselse procesrecht algemeen gebruikelijk was [207].

Op 24 oktober 1660, tijdens de eerste stadhouderloze periode, besloten Ridderschap en Steden echter het ambt van stadhouder van de lenen weer in te stellen [208]. Sedertdien en tot 1795 toe werden de leenzaken als vanouds waargenomen door een stadhouder van de lenen in samenwerking met de leengriffier, echter met die restrictie, dat de eerste in perioden van stadhouderlijk bestuur (1672-1702 en 1748-1795) genoegen moest nemen met de titel van luitenant-stadhouder van de lenen. De Oranje-stadhouder, op wiens naam de beleningen in dergelijke tijdvakken werden uitgevaardigd, gold dan tevens als stadhouder van de lenen.

De post van griffier van de lenen bleef sedert 1528 gecombineerd met die van griffier van de provincie, die sedert 1578 werd aangeduid als griffier van de Staten van Overijssel en die sedert 1593 tevens optrad als griffier van Ordinaris Gedeputeerden. Hij bleef belast met het bijhouden van de leenprotocollen, terwijl hij als griffier van de Gedeputeerden ook aantekening hield van de handelingen inzake leenprocessen [209]. Ten behoeve van de uitoefening van zijn verschillende taken kon hij sedert 1593 over minstens één klerk ter provinciale griffie beschikken [210]. In 1714 kwam er echter aan de koppeing van deze beide griffierschappen een einde. Nadat de post van griffier van de lenen in 1707 was opengevallen bepaalden Ridderschap en Steden op 24 juli 1714, dat deze functie in het vervolg op voordracht van de Ridderschap van Overijssel zou worden vervuld, waarop dit laatste college zijn eigen griffier op 17 november 1714 tot leengriffier benoemde [211]. Sedertdien bleven deze twee griffierschappen in één hand, tot 1795 toe, na welk jaar de zittende leengriffier nog tot 1805 in functie bleef.

Inmiddels waren er tijdens de Keuls-Munsterse bezetting van Overijssel (1672-1674) ook beleningen verricht in naam van de aartsbisschop van Keulen en de bisschop van Munster. Tijdens hun kortstondige bewind traden er in Overijssel namens deze twee kerkvorsten "Gecommitteerden totte leenen" en een "secretaris" op, die op naam van de eersten leenakten uitvaardigden en daartoe met een eigen zegel zegelden [212]. Hun handelingen zijn niet in de Overijsselse leenprotocollen geregistreerd en worden daarin ook verder in geen enkel verband vermeld. Evenmin is er van een eigen archief van deze "Gecommitteerden" iets bewaard, zodat hun optreden alleen blijkt uit enige nog bewaarde akten van belening [213].

Ingrijpende ontwikkelingen deden zich verder in verband met de Overijsselse leenkamer vóór de Bataafse Revolutie van 1795 niet meer voor. Maar deze omwenteling bracht in Overijssel en elders Patriotten aan de macht, die in leenstelsel, horigheid enz. instituten zagen, die strijdig waren met de principes van de Bataafse Vrijheid en daarom uit waren op hun afschaffing. Toch kwam er aan het bestaan van de Overijsselse leenkamer nog niet direkt een einde. Want abrupte afschaffing van oude, reeds lang bestaande vermogensrechten anders dan op een wettelijke grondslag en met een billijke schadevergoeding kwam niet overeen met de Patriotse opvattingen. Een dergelijke regeling werd door hun verwacht van een nationaal wetgevend lichaam, dat in het voorjaar van 1795 nog gecreëerd moest worden. Daarom viel er aan beëindiging van de werkzaamheden van de leenkamer voorlopig nog niet te denken. Krachtens een "Publicatie" van 7 februari 1795 werden Ordinaris Gedeputeerden van Provisionele Representanten van het Volk van Overijssel gemachtigd "om in alle leenzaaken de post van den geweezen stadhouder of lieutenant van de leenen dezer Provincie te bekleeden" [214]. In een "Notificatie" van 13 augustus 1795 maakten deze Gedeputeerden bekend, dat belanghebbenden inzake leenaangelegenheden zich in het vervolg konden wenden tot hun college of als dit niet in vergadering bijeen was tot één van zijn leden. In vervolg daarop verrichtten zij sedert september 1795 als "Ordinaris Gedeputeerden van Provisionele Representanten ---, verwaltende de Leenkamer deser provincie" als vanouds beleningen en verstrekten dienaangaande ook in beperkte mate vergunningen [215].

Tot de verwachte afschaffing van het leenstelsel kwam het in principe krachtens artikel 25 van de eerder genoemde Staatsregeling van 23 april 1798 en feitelijk krachtens de daarop gebaseerde Publicatie van het Uitvoerend Bewind van 7 mei 1799 [216].

Toch vormde die laatste Publicatie nog niet het definitieve einde van de werkzaamheden van de Overijsselse leenkamer. Want in dit stuk werd gesteld, dat weliswaar artikel 25 van de Staatsregeling inhield, dat: "Alle --- regten of verplichtingen, hoe ook genoemd, uit het leenstelsel of leenregt afkomstig, en die hunnen oorsprong niet hebben uit een wederzijdsch vrijwillig en wettig verdrag, worden, ---, als strijdig met der burgeren gelijkheid en vrijheid, voor altijd vervallen verklaard. Het Vertegenwoordigend Lichaam zal binnen agttien maanden na deszelfs eerste zitting bepaalen den voet en de wijze van afkoop ---", maar dat er in verband met de bescherming van eigendomsrechten niet te hard van stapel gelopen moest worden. In afwachting van een definitieve regeling, die ook iets over schadevergoeding aan de voormalige leenheren zou moeten bevatten, zouden "alle leenroerige goederen --- even als (=als) allodiaale en vrije goederen --- kunnen en mogen worden vervreemd of bezwaard" en wel volgens de regels van het ter plaatse geldende recht. Voor Overijssel hield dat in, dat de bedoelde vervreemdingen of bezwaringen op het platteland voor de gewone rechter en in de steden voor schepenen zouden moeten worden verricht. Maar ook voor de leenkamer bleef er krachtens de Publicatie nog een rol weggelegd. Want de betrokken instanties zouden van de betreffende rechtshandelingen kennis moeten geven aan de leenkamer, waarvan de goederen afhingen en die zou daarvan aantekening moeten houden in haar protocollen. Het verschil in toon tussen artikel 25 van de Staatsregeling en de Publicatie is daaruit te verklaren, dat het eerste stuk na een eerste staatsgreep was bewerkstelligd door een groepering van meer extreme revolutionairen, terwijl het tweede stuk na een tweede staatsgreep voortgekomen was uit de handen van meer gematigden.

Het voorgaande leidde ertoe, dat de Overijsselse leenkamer zijn activiteiten na 7 mei 1799 nog niet volledig staakte. In een beperkt aantal gevallen werd er van de aangeduide rechtshandelingen inderdaad aan de leenkamer kennis gegeven, soms door de bedoelde instanties soms ook door de betrokken partijen, wat in beide gevallen tot registratie leidde. Daarnaast ontving de leenkamer vooral in de jaren 1799-1802 nog een aanmerkelijk aantal verzoeken tot belening. Ook die verzoeken werden geregistreerd en wel gedeeltelijk in een vorm, die zeer aan die van belening deed denken. Alleen daarbij gestelde kanttekeningen doen blijken, dat de tijden veranderd waren. Het verzoek werd wel geregistreerd maar de meeste aanvragers ontvingen slechts een "diligent-verklaring" met betrekking tot de omstandigheid, dat zij het verzoek hadden gedaan [217].

In enkele gevallen vond daarnaast in 1801 en 1804 nog een werkelijke belening plaats. In 1801 betrof dat een in Gelderland gelegen landgoed, in 1804 Neuenhaus in het graafschap Bentheim [218]. In Neuenhaus had de voormalige rijksgraaf kans gezien zijn gezag tijdelijk te herstellen. Aangenomen mag daarom worden, dat deze laatste belening een politieke achtergrond had.

Inmiddels had de Staatsregeling van 18 september 1801 verdere duidelijkheid ten aanzien van het leenstelsel gebracht. Artikel 16 daar schreef voor: "Het leenrecht wordt geheel afgeschaft en alle leenroerige goederen gehouden voor allodiaal. De wet zorgt voor de schadeloosstelling van de leenheeren". Hoewel laatstbedoelde regeling op zich liet wachten bepaalde artikel 9 van de Staatsregeling van 22 maart 1805 nog eens uitdrukkelijk: "Het leenregt blijft afgeschaft. Alle goederen worden gehouden voor allodiaal. De wet zorgt voor de billijke en regtmatige schadeloosstelling der grond-eigenaren, welke door deze afschaffing blijkbaar zijn benadeeld geworden" [219]. Ook nu was er dus weer sprake van schadeloosstelling van de leenheren, maar daar kwam het in het vervolg niet van.

De Overijsselse leenkamer overleefde de bepaling van de Staatsregeling van 1801, maar die van 1805 haalde hij niet meer. De laatste registratie vond plaats op 28 januari 1805, nadat het laatste verzoek om belening op 23 oktober 1804 was gedaan [220]. De laatste belening met een in Overijssel gelegen goed had op 21 maart 1799 plaats gevonden [221].

Wel vielen er tot in 1808 vanuit het bestuur van de provincie nog beschikkingen inzake de afkoop van leengoederen en werden er nog stukken ter registratie in ontvangst genomen, maar ingeschreven werden die laatsten niet meer [222].

Noten:

[179]. E.D. Eijken e.a., In alle Staten. Vierhonderd jaar provinicaal bestuur van Overijssel, Zwolle, z.j. (1978), blzz. 13-15; A.J. Mensema, Het wapen van Overijssel. Oorsprong, ontwikkeling en gebruik, Zwolle, 1986, blzz. 8-13; Tegenwoordige Staat, I, (1781), blzz. 185vv.

[180]. Deze titels worden sedert 1528 onder meer vermeld in de aanhef van de in naam van keizer Karel uitgevaardigde akten van belening.

[181]. Mensema, Het wapen van Overijssel, o.c., blz. 11.

[182]. Vergelijk de omschrijving van nr. 1862 boven 1545: "tot eenen Overijsschelschen leen".

[183]. De vroegste belening in naam van Karel V met een Overstichts leengoed dateert van 7 november 1528. Deze vond nog te Utrecht plaats. Vergelijk nr. 1796.

[184]. Protocol OO fol 107 n.a.v. nr. 940: "deze provinciale lheenkamer".

[185]. Graswinckel, Overijselsche rekeningen, o.c., nr. 213, fol 1.

[186]. Mensema, Het wapen van Overijssel, blz. 12.

[187]. Zo werden de proceshandelingen in leengeschillen evenals vroeger aangetekend in de "Judicialen", die nu namens de stadhouder werden bijgehouden. Vergelijk J.I. van Doorninck, Overijssel onder Karel V, Deventer, 1889, blzz. 82 en 175.

[188]. Protocol OC2 fol 49v op 15 september 1583: "griffier van den Leenhove van Overissel".

[189]. Statenarchief nr. 6, fol 234, en 12, ongefolieerd, resoluties van 12 maart 1612 en 21 april 1649: "lheenrichter offte stadtholder van de lheenen" en "als lheen-greffier".

[190]. Overijselsche rekeningen voornoemd, nr. 213, fol 1.

[191]. Mensema, Het wapen van Overijssel, o.c., blzz. 12-13 en 19-20. Onduidelijk is hoe er in de periode 1585-1592 is gezegeld, aangezien er uit die periode geen leenakten zijn bewaard.

[192]. Onder de genoemde Overijsselse rekeningen, die afkomstig zijn uit de Hollandse Rekenkamer, bevindt zich onder de nrs. 213-221 een aantal van zijn rekeningen over de jaren 1528-1562 met als bijlagen afschriften van de leenprotocollen over 1540-1574.

[193]. Protocol OC2 fol 61v, 8 mei 1574.

[194]. Protocol OC2 fol 7, 8 november 1569.

[195]. Statenarchief nr. 3, fol 293v.

[196]. Eijken, In alle Staten, o.c., blz. 15.

[197]. Mensema, Het wapen van Overijssel, blz. 15.

[198]. A.J. Brunt, Inventaris van het huisarchief Twickel, 1133-1975, delen 1-7, Uitgaven RAO 34-40, Zwolle/Delden, 1993, deel 4, blz. 863, vermeldt onder nr. 6102 enige afschriften van akten van belening, die getrokken zijn uit een protocol van deze leenkamer. Vergelijk nr. 1899.

[199]. Vergelijk de nrs. 156, 317, 704, 901, 1097, 1694, 1697, 1861 en 1938. Waarschijnlijk hebben er veel meer van dergelijke beleningen plaatsgevonden.

[200]. RAO, Collectie Diverse Charters (regestenlijst door H.H. Jongbloed), nr. 176, akte van 11 juni 1583; aldaar, Collectie Charters Varia (regestenlijst door H.H. Jongbloed), nrs. 50 en 51 benevens Mensema e.a., Inventaris van het huisarchief Almelo, o.c., deel 2, blz. 252, nr. 1416, samen 3 akten van 17 juni 1596.

[201]. P.W.J. den Otter, Plaatsingslijst van het archief van het Stift Ter Hunnepe (ongepubliceerd), nr. 4, akte van 4 maart 1581, Staats; de hiervoor genoemde akte van 11 juni 1583, Spaans.

[202]. Statenarchief nr. 1, fol 217v en 218v, resoluties van Ridderschap en Steden van 21 september en 6 oktober 1584.

[203]. Statenarchief nr. 3, fol 49v en 293v, resoluties van Ridderschap en Steden van 29 mei 1587 en 27 februari 1591.

[204]. GA Deventer, Rep. I, nr. 572, Reyseboek van de stad Deventer, 1591-1594, resolutie van Ridderschap en Steden van 23 augustus 1591, die niet is aangetekend in het resolutie-register van de Staten. Vergelijk Statenarchief nr. 345, fol 1, een klapper.

[205]. Statenarchief nr. 348, fol 29v, resolutie van Ridderschap en Steden van 27 juni 1593; Tegenwoordige Staat, I, blz. 461, en II, blz. 171.

[206]. Statenarchief nr. 5 fol 11 en nr. 7, fol 70v, resoluties van Ridderschap en Steden van 14 februari 1596 en 16 september 1614.

[207]. Tegenwoordige Staat, II, blzz. 172-176; Landrecht, II, titel 24.

[208]. Statenarchief nr. 16, fol 87v; Tegenwoordige Staat, II, blzz. 177-179.

[209]. Tegenwoordige Staat, II, blzz. 180-181.

[210]. Statenarchief nr. 1512, "Register van ampten, commissiën en andere officiën in de provintie van Overijssel", fol 191.

[211]. Statenarchief, nr. 38, fol 106; RAO, Archief van de Ridderschap van Overijssel, nr. 6, fol 130. Er is reden om aan te nemen, dat dit griffierschap tussen 1693 en 1714 niet normaal heeft gefunctioneerd. Vergelijk het bij het protocol OH aangetekende.

[212]. Mensema, o.c., blz. 36.

[213]. Vergelijk de nrs. 58, 657, 890 en 1385.

[214]. Vergelijk voor deze en de volgende bekendmaking Statenarchief nr. 5299.

[215]. De laatste belening onder het oude bewind dateert van 4 februari 1795, de eerste onder het nieuwe bewind van 6 september 1795.

[216]. Van de Poll, Verzameling van de vaderlandsche wetten en besluiten, o.c., blzz. 14 en 110. Vergelijk voor de verwikkelingen rond de afschaffing van het leenstelsel: P.G. Aalbers, Het einde van de horigheid in Twente en Oost-Gelderland, 1795-1850, Zutphen, 1979, blzz. 47-63.

[217]. "Diligent" = ijverig, voortvarend.

[218]. Vergelijk de nrs. 1823 en 1905.

[219]. Van de Poll, o.c., blzz. 209 en 282.

[220]. Vergelijk de nrs. 1240 en 1500.

[221]. Nr. 412.

[222]. Vergelijk archief Leenkamer, nrs. 63 en 46.