[ Repertorium ] [ Inhoudsopgave inleiding]

Help

VII. Karakter en inhoud van de registraties

Vorige ] [ Volgende ]

Het in de oudste protocollen aangetekende heeft vaak een zeer summier karakter. In BA1, de "lijst van leenmannen" ging het daarbij aanvankelijk om niet meer dan de vermelding van de naam van de beleende en zijn of haar leengoederen. Maar in een aantal toevoegingen in dit protocol komen daarnaast ook al de "causa", de reden waarom er belening plaats vond, de plaats en datum van belening, de namen van leengetuigen en die van een eventuele hulder tot uiting. Een vaste regel was dat echter vóór 1393 nog niet.

Ook ná 1393 zijn de aantekeningen aanvankelijk nog summier. Zij houden meestal nog geen vermelding van de leengetuigen en de plaats van belening in, terwijl er voor de datum in de vele gevallen, dat er meer beleningen op één dag hadden plaatsgevonden, op verschillende manieren wordt verwezen naar een vroegere aantekening van dezelfde dag ("Item" of "Item sselven dages", "terselvertyt" en "actum et datum ut supra"). Deze laatste formule bleef in soortgelijke gevallen tot aan het eind van de 17de eeuw in gebruik.

In de oudere protocollen werden overgangen van leenbezit dikwijls - maar alleen als die plaats vonden binnen het door het protocol bestreken tijdvak - aangegeven door middel van verandering van de tekst van een oudere belening ofwel via een kanttekening bij die tekst. Dezelfde weg kon worden gevolgd in verband met het optreden van een nieuwe hulder of in het geval, dat een inmiddels meerderjarig geworden leenman zelf hulde had gedaan. Ook in de 17de eeuw komen we dergelijke toevoegingen in verband met het laatste geval nog tegen maar voor het overige raakten soortgelijke tekstwijzigingen na 1456 geleidelijk buiten gebruik. In de protocollen BE en BF komen zij niet meer voor. Wel bevatten deze protocollen, evenals het daaraan voorafgaande protocol BD, vele kanttekeningen met een informatief karakter ("beleent hiernae ---, synen soen"). Na 1528 blijven ook die kanttekeningen achterwege.

De omschrijving van het leengoed varieerde vóór 1433 meestal per belening. Echter, in het algemeen werd er sedert 1433 hardnekkig aan één omschrijving vastgehouden, soms tot aan het begin of ook tot aan het einde van de 18de eeuw toe, zonder dat daarbij met veranderingen in de toestand of naam van het betrokken leengoed rekening werd gehouden. Uit andersoortige aantekeningen, bijvoorbeeld in verband met verleende vergunningen, komen dergelijke veranderingen dan soms toch tot uiting [231].

In het algemeen werden de registraties, wat hun tekst aangaat, van het jaar 1433 af uitvoeriger dan in voorafgaande jaren en bevatten onder andere meer gegevens betreffende ruil van leengoederen en toekenning van lijftucht. Onder het bewind van bisschop David van Bourgondië kwamen daar aantekeningen betreffende vergunningen tot het belasten van leengoed met grondrente of hypotheek bij. Na 1600 werden er daarnaast in toenemende mate ook allerlei andersoortige vergunningen geregistreerd: om over het goed te testeren of het onder zijn kinderen deelbaar te maken. Bovendien kwam er in diezelfde periode in de protocollen een nieuwe kategorie van aantekeningen naar voren: bekrachtigingen van allerlei voor andere instanties verrichte rechtshandelingen, in het bijzonder die, welke een testamentaire beschikking inhielden. Op den duur namen de vele vergunningen en bekrachtigingen in de leenprotocollen zoveel plaats in beslag dat er met ingang van het jaar 1661 werd overgegaan daartoe bijzondere protocollen aan te leggen naast die voor beleningen: voor door de leenkamer verleende vergunningen en bekrachtigingen ("octrooyen ende approbatien") en betreffende op de leengoederen rustende hypotheken en andere lasten ("rentverschryvingen", "hypothecatien" of "verbanden"). Tenslotte leidde het na 1600 opgekomen gebruik om zich inzake belening en andere handelingen door een gemachtigde te laten vertegenwoordigen bovendien tot het aanleggen van een afzonderlijk protocol voor de registratie van die volmachten, die niet ter plaatse in het leenprotocol waren aangetekend [232].

Daarnaast leidde de eerder geciteerde "Publicatie" van 24 oktober 1795 betreffende afkoop van de leenplicht van provinciale leengoederen [233] tot het aanleggen van protocollen betreffende een dergelijke afkoop (1795-1808) en de in verband daarmee ontvangen gelden (1795-1804) [234].

De beleningen zelf werden gewoonlijk geregistreerd aan de hand van voorlopige aantekeningen of minuten, die zich beperkten tot de vermelding van de feitelijke rechtshandelingen. Daarnaast werd voor de vermelding van de betrokken leengoederen gebruik gemaakt van opgaven, die door de leenmannen waren gedaan ofwel door het kanselarij-personeel aan oudere registraties ontleend. Soms werd de tekst van dergelijke oudere aantekeningen achteraf in verband met een latere belening aangepast, bijvoorbeeld na een ruil van leengoederen. Waarschijnlijk dienden dergelijke tekstwijzigingen als voorbeeld voor de registrator [235].

Tussen 1600 en 1722 wisselde de uitvoerigheid van de registraties soms aanmerkelijk. Vooral in de tweede helft van de 17de eeuw waren zij vaak kort en bondig, maar in 1722 werd er overgegaan op een systeem, waarbij het aangetekende afwisselend het karakter had van een proces-verbaal van het in de Leenkamer verhandelde danwel van een afschrift van de door de Leenkamer uitgevaardigde acte van belening. In deze aantekeningen werd tevens veel meer dan in de voorafgaande periode aandacht besteed aan de leenvolmachten en de wijze, waarop deze tot stand waren gekomen.

Het bijhouden van de leenprotocollen gebeurde niet altijd zorgvuldig. Slordigheden van allerlei aard komen er regelmatig in voor en een aanmerkelijk aantal beleningen blijkt in de protocollen helemaal geen plaats gevonden te hebben [236]. Daarnaast zijn de registraties in de protocollen BA1 en BB incompleet. Van de uit 1433 naar voren komende 469 beleende personen en hun leengoederen worden er in BA1 maar 385 genoemd, waarvan dan nog 47 namen in het eerste gedeelte ontbreken, terwijl in de eerste helft van protocol BB 80 beleningen lijken te missen [237].

Noten:

[231]. Vergelijk voorbeeld nr. 1541 onder 1612.

[232]. Archief Leenkamer nrs. 54-56, 57-60 en 52-53.

[233]. Vergelijk noot 159.

[234]. Archief Leenkamer nrs. 63 en 64.

[235]. Vergelijk de nrs. 321, 716, 1402 en 2019; nr. 1718 onder 1555, nr. 954 onder 1457 en nr. 771 onder 1449.

[236]. Vergelijk bijvoorbeeld de nrs. 58 en 832 onder 1497. In de 17de en 18de eeuw zijn enige tientallen van beleningen onvermeld gebleven.

[237]. Vergelijk verder de gebruikte protocollen BA1, BA2 en BB achter deze inleiding.