[ Repertorium ] [ Inhoudsopgave inleiding] [ Leenrecht ] |
De landsheren van Oversticht en Overijssel traden daar tevens op als leenheer, zodat een wisseling van landsheer tevens het optreden van een nieuwe leenheer betekende. In de bisschoppelijke periode deed zich dat voor in de jaren 1379, 1393, 1433 [108], 1456, 1496, 1517 en 1525. Daarna, onder het Habsburgse bewind, gebeurde dat in 1528 en 1556. In 1584 volgden Ridderschap en Steden, optredend als souvereine Staten van Overijssel, de keizer en koning als landsheren op, maar de moeilijke omstandigheden, waarin de provincie toen in verband met de strijd tegen Spanje verkeerde, leidden ertoe, dat de Overstichts-Overijsselse leenmannen pas in 1603 werden opgeroepen zich in dat verband te laten belenen [109]. Bereidheid zich te laten belenen hield bij die ene gelegenheid tevens erkenning van het gezag van de Staten in [110].
Voor beleningen in dit verband was sedertdien in wezen geen reden meer, maar Ridderschap en Steden besloten in 1661 na het herstellen van het ambt van stadhouder van de lenen, dat het aantreden van een dergelijke stadhouder in het vervolg een vergelijkbaar effekt zou hebben en dus tot een belening "met lediger hand" zou moeten leiden [111]. De leenmannen zouden worden opgeroepen hun leen voor de nieuwe stadhouder van de lenen en de leengriffier te komen verheffen. In de praktijk kwam het daartoe echter alleen in de jaren 1667 en 1686 [112]. Bij die gelegenheden stuitte de oproep op aanmerkelijk verzet, wat inhield, dat een groot aantal beleenden naliet in dat verband belening te verzoeken. Nadat het doen van dergelijke oproepen nadien herhaaldelijk achterwege was gebleven zagen de Staten daarvan in 1745 voor het vervolg formeel af [113].
Vóór 1528 hadden vele beleningen door een nieuw-optredende bisschop plaats gevonden tijdens grote bijeenkomsten te Deventer, Zwolle, Markelerberg, Vollenhove, enz., zodat de grote massa van dergelijke handelingen zich concentreerde op een klein aantal kalenderdagen. Maar ook vóór en n zulke massale manifestaties vonden er in kleiner aantal beleningen in overeenkomstig verband plaats.
Noten:
[108]. Tijdens de Utrechtse Schisma (1423-1433) hebben er in het Oversticht waarschijnlijk geen beleningen plaatsgevonden; in het Nedersticht wel, maar daarbij waren in het algemeen geen Overstichtse lenen betrokken. Vergelijk echter nr. 1816 onder 1426 en nr. 1842 onder 1422.
[109]. Plakkaat van 18 juni 1603 krachtens besluit van de staten van 24 februari 1602. Zie Statenarchief nr. 5 fol 274.
[110]. Vergelijk nr. 618 onder 1604.
[111]. Statenarchief nr. 16, fol 109v, resolutie van 27 april 1661.
[112]. Statenarchief nr. 696, plakkaten van 27 april en 28 september 1667 benevens 20 maart 1686.
[113]. Statenarchief nr. 69, fol 45v, resolutie van 10 april 1745.