[ Repertorium ] [ Inhoudsopgave inleiding] [ Leenrecht ]

Help

16. Akten van belening en andere bewijsstukken

Vorige ]

Een met volle hand beleende leenman kon in de 14de en 15de eeuw desgewenst als bewijs van zijn belening en wettig leenbezit vragen om een akte, waarin de leenheer verklaarde de belening gedaan te hebben met daarbij aanduidingen van wie hij had beleend, in welk verband, met welke goederen, in aanwezigheid van welke leengetuigen en op welke plaats en datum [162]. Een dergelijke akte van belening ("leenbrief") placht de vorm te hebben van een blad of strook perkament ("charter") met in rode was het afhangende zegel van de bisschop.

Een met volle hand beleende leenman kon dus destijds om een dergelijk bewijsstuk vragen maar was daartoe niet verplicht. Zo nodig kon hij zijn belening ook bewijzen met de verklaringen van de leengetuigen [163]. Uit de van vóór 1500 daterende leenprotocollen blijkt, dat er zo nu en dan van dergelijk getuigenbewijs gebruik werd gemaakt en dat niet iedere leenman meende een "leenbrief" nodig te hebben en daarvoor wilde betalen [164].

De nieuwe machthebbers van 1528 gingen er echter kennelijk van uit, dat de vollerhands beleenden verplicht waren voor een leenakte te betalen en hun rechtmatig leenbezit met behulp van een dergelijke akte te bewijzen. Ook het Landrecht van 1630 ging van een dergelijke verplichting uit [165].

Bij belening met lediger hand werd er geen nieuwe akte verstrekt. Wel was het overleggen van bewijs van eerdere belening vóór 1500 kennelijk gewenst en ná 1600 nodig. Ging het daarbij om een bijzondere rechtshandeling, zoals het doen van hulde door een volwassene, die eerder als minderjarige was beleend, dan werd daarvan op de rug van de overgelegde akte een aantekening gemaakt [166]. Ging het om het optreden van een nieuwe leenheer, bij welke gelegenheid alle leenmannen met lediger hand werden beleend, dan bleef het maken van dergelijke aantekeningen achterwege. Bij gelegenheid van de eerder genoemde beleningen van 1667 werd in de betrokken oproep en registraties in het leenprotocol het tonen "der jongste leenbrieven" zeer benadrukt [167]. Omstreeks 1500 hadden de leenprotocollen nog aanwijzingen betreffende het zoeken naar oudere beleningen in vroegere leenprotocollen bevat, naar valt aan te nemen, omdat de betrokken beleende zelf geen akte kon overleggen [168].

Volgens de bepalingen van het Landrecht van 1630 moest de akte door de leenheer gezegeld en ondertekend zijn, een voorschrift, dat ook gold voor door achterleenheren uitgevaardigde akten. In bisschoppelijke tijden was zegelen voldoende geweest al kwam ondertekening reeds onder bisschop Philips van Bourgondië voor [169]. Deze vroegere landsheren plachten met hun gewone zegel te zegelen, maar sedert 1528 kwamen er speciale stempels voor leenzegels in gebruik. Bovendien kwam toen het aanbrengen van "kanselarij-aantekeningen" op de omgevouwen rand aan de onderzijde ("pliek") van het charter in zwang, ongetwijfeld om vervalsing van de akten te bemoeilijken. Dergelijke aantekeningen verwezen naar de feitelijk verantwoordelijken voor de uitvaardiging van de akte, de stadhouder van de lenen ("Ter Relatien van Keyser. Mat. Stathalder ---" of "By den kuninck ter relatien van zyner Mat. statholder genereael den grave van Aremberch, etc.") en de leengriffier ("Tegenwerdich" of "My Jegenwoirdich ---") met de handtekening van laatstgenoemde [170]. Wat de eerste betreft werden in later tijd de hem opvolgende instanties en autoriteiten genoemd. De vermelding van de feitelijk belenende instantie was zinvol, omdat de akte formeel op naam van de landsheer-leenheer placht te worden gesteld.

Ook de verdere bemoeiingen van de leenheer leidden of konden leiden tot de afgifte van bewijsstukken. Naast de eerder genoemde vergunningen in verband met huwelijkse voorwaarden, testament, lijftucht en bezwaring van het leengoed valt ook te denken aan uitstel van belening, kwijtschelding van verzuim, vergunning om een goed te verkopen, voor de gewone rechter te procederen, verhaal te zoeken voor onbetaalde schulden, enz.. Vele van dergelijke stukken zullen vóór 1600 de vorm gehad hebben van een strook papier met opgedrukt zegel ("plackerdes brieve", "plakkerd" of "plakkaat") [171]. Na 1600 ging het daarbij dikwijls om een gewoon vel papier met handtekening en opgedrukt zegel, bij bezwaring van leengoed echter om charters in de gewone vorm. In het algemeen zijn dergelijke stukken in geringe aantallen bewaard, anders dan de leenakten, die nog in groten getale aanwezig zijn. Maar in de leenprotocollen worden die andere akten regelmatig vermeld en in veel gevallen zijn daarvan ook een of meer voorbeelden geregistreerd en aldus in afschrift bewaard [172].

Noten:

[162]. Voorbeeld: protocol BB fol 93, n.a.v. nr. 299.

[163]. Landbrief van 1365, art. 21.

[164]. Voorbeelden: nr. 832 onder 1497 en nr. 2015 onder 1500; nr. 1137 onder 1388; nr. 1802 onder 1403 en nr. 1340 onder 1404; nr. 1457 onder 1466.

[165]. Graswinckel, Overijselsche rekeningen, o.c., blz. 28 nr. 213, rekening van de leengriffier over 1528-1540; Landrecht, II.8.7 en II.25.2 en 6.

[166]. RAO, archief Huis De Berg (bij Dalfsen), I (G.J. ter Kuile), nr. 54.

[167]. Plakkaat (oproep) van 28 september 1667 voornoemd en protocol OF fol 63-65. Vergelijk onder meer de nrs. 386, 1152 en 1212.

[168]. Nr. 58 onder 1497; nr. 413 onder 1498 en nr. 2015 onder 1500.

[169]. Archief Huis De Berg voornoemd, I, nr. 33, akte van 18 november 1519.

[170]. A.J. Mensema e.a., Inventaris van het huisarchief Almelo, 1236-1917 (1933), Zwolle, 1993, I, blz. 21 nr. 80, akte van 7 augustus 1534 en archief Huis De Berg, I, nr. 54, akte van 4 januari 1558.

[171]. Vergelijk nr. 501 onder 1455.

[172]. Vergelijk de vindplaatsen van: nr. 1545 onder 1422 (uitstel van belening); nr. 267 onder 1497 (II) (lijftucht); nr. 2003 onder 1541 en nr. 382 onder 1755 (testament); nr. 1822 onder 1775 (huwelijkse voorwaarden); nr. 501 onder 1457 en nr. 1051 onder 1486 (bezwaring); nr. 501 onder 1455 (volmacht en verslag van een gemachtigde van de bisschop).