[ Repertorium ] [ Inhoudsopgave inleiding] [ Leenrecht ] |
[ Volgende ]
Ook voor het Oversticht gold, dat het leenrecht van oorsprong gewoonterecht was. Vóór 1630 was het aantal wettelijk vastgelegde bepalingen zeer gering. Deze waren te vinden in de voor Twente bestemde maar ook elders geldende Landbrief van 1365 met enige aanvullingen in de Landbrieven voor Overijssel van 1478, 1518 en 1541. [20]
In 1630 kwam het tot een grootscheepse codificatie van in Overijssel geldend recht, waarbij toen ook het leenrecht betrokken werd. Dit geheel van door de Staten van Overijssel vastgesteld recht werd aangeduid als "landrecht". "Landrecht" stond voor "algemeen recht" in tegenstelling tot het bijzondere in de steden geldende recht, dat van stad tot stad kon verschillen, ook in Overijssel. Aangezien de werking van het in 1630 vastgestelde zich ook verregaand uitbreidde over de kleine steden in deze provincie, kreeg het in de praktijk het karakter van buiten de 3 grote steden Deventer, Kampen en Zwolle geldend recht. De werking van de oude "landbrieven" had zich beperkt tot het platteland zonder meer.
In het in 1630 vastgestelde landrecht [21] waren de titels 24 en 25 van het Tweede Deel aan het leenrecht gewijd. Titel 24 betrof de procesgang inzake leengeschillen, een onderwerp, dat voor het begrip van het in de leenprotocollen aangetekende niet van direkt belang is en daarom verder buiten beschouwing zal blijven. Titel 25 bevat bepalingen betreffende de manier van belenen, de tarieven van het heergewaad, de vererving, overdracht en bezwaring van leengoederen en de termijnen van verjaring. Deze bepalingen liet men gelden voor alle Overstichtse lenen, ook de buiten Overijssel gelegene, en evenzeer voor de Overstichtse achterlenen. Op den duur werd de werking daarvan bovendien uitgebreid over alle in Overijssel gelegen leen- en achterleengoederen, ook die, welke afhingen van buitenlandse leenheren. [22]
Het Landrecht van 1630 en zijn aanvullingen behandelden het geldende recht intussen niet uitputtend, ook het leenrecht niet. De gewoonte bleef daarnaast van belang. Aangezien het Landrecht bovendien geen definities bevat is het voor een systematische behandeling van het leenrecht weinig geschikt.
Welk leenrecht in Oversticht en Overijssel in de praktijk naast het gecodificeerde recht gold kan gedeeltelijk worden afgeleid uit het in de leenprotocollen aangetekende. Veel daarvan vindt bevestiging in de twee verzamelingen van (Neder-)Stichts leenrecht, die door S. Muller Fz. zijn uitgegeven. [23] Samengesteld werden deze verzamelingen in het Nedersticht in een abdij en een proostdij. De indruk bestaat, dat zij bij gebrek aan andere optekeningen in het Nedersticht gezag hadden. In hoeverre dat ook in het Oversticht het geval was is echter onduidelijk. Geen geschreven Overstichtse bron verwijst daarnaar.
De verschillen tussen het Nederstichtse en Overstichtse leenrecht waren overigens niet groot en bestonden voornamelijk daarin, dat een Overstichtse leenvolger aan zijn broers en zusters 1/3 van de waarde van het leengoed moest overlaten en dat voor bastaarden de bepalingen van erfrecht in het Oversticht veel ongunstiger waren dan in het Nedersticht. [24]
Ook van Winhoffs bekende systematische compilatie van en commentaar op het landrecht van Overijssel en het daarin behandelde leenrecht blijkt niet, dat dit onder de juristen van zijn tijd gezag had. [25] Anders dan de twee Nederstichtse bronnen gaat deze schrijver uit van het in de landbrieven gecodificeerde recht, zodat het gewoonterecht bij hem nauwelijks ter sprake komt.
De tegenwoordige gebruiker is meer geholpen met de beschouwingen over leenrecht van J.W. Racer [26], waarnaast die van Gerhard Dumbar genoemd kunnen worden, die echter vooral het procesrecht inzake leengeschillen betreffen. [27] Deze beide ervaren juristen waren overigens pas aan het einde van de 18de eeuw werkzaam. Hun tijdgenoten en voorgangers zullen vooral gesteund hebben op algemene juridische handboeken, zoals die van Ulrik Huber en Simon van Leeuwen, op de meer specialistische door S.J. Fockema Andreae geciteerde schrijvers en daarnaast maar in de eerste plaats op oudere in leengeschillen gewezen vonnissen. [28] Van de moderne schrijvers gaat in het bijzonder de vaker geciteerde S.J. Fockema Andreae op het Stichtse en Overstichtse leenrecht in.
Noten:
[20]. G.J. ter Kuile, Landbrieven van Overijssel, Verslagen en Mededeelingen van de Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oud-vaderlandsche recht, (verder V.M.OVR), X (1952), blzz. 453vv, 529vv, 539vv en 552.
[21]. In de tekst verder geciteerd als "Landrecht van
1630". De beste en best-bruikbare editie is: Landregt van Over-Isel, Deventer,
1724.
In deze editie zijn tevens een groot aantal na 1630 uitgevaardigde wetten en besluiten
opgenomen onder het hoofd: Nadere reglementen, Ampliatien, Plakkaten en Resolutien
(verder geciteerd als: Nadere reglementen), waaronder een aantal inzake leenrecht.
[22]. Plakkaat van 2 april 1761 en resolutie van Ridderschap en Steden van 16 april 1767. Zie: G.J. ter Kuile, (Voorlopige inventaris van het archief van) Ridderschap en Steden (de staten van Overijssel) en hun Gedeputeerden, alsmede de provisionele representanten van het volk van Overijssel en hun gedeputeerden, 1578-1798 (ongepubliceerd; verder: Statenarchief), nr. 706 en nr. 91 fol 112. In andere zin: resolutie van Ridderschap en Steden van 30 november 1688, Nadere reglementen, blzz. 65-67, nr. 36.
[23]. S. Muller Fz., Twee Stichtse leenrechten, V.M.OVR I (1880), blzz. 227-254.
[24]. Landrecht van 1630, deel II, titel 25, artikel 9 en 17, verder op deze wijze geciteerd: Landrecht, II.25.9 en 17.
[25]. Melchior Winhoff, Landtrecht van Averissel, Deventer, 1559; heruitgave door J.A. de Chalmot met aantekeningen door J.W. Racer, Kampen, 1782.
[26]. Racer, Gedenkstukken, o.c., III, blzz. 50-57, en zijn aantekeningen bij Winhoff, o.c., blzz. 106-157.
[27]. (G. Dumbar), Hedendaagsche historie of tegenwoordige staat van alle volkeren, behelzende de beschryving der Vereenigde Nederlanden en wel in 't byzonder van Overyssel (verder: Tegenwoordige Staat), II, Amsterdam, enz., 1790, blzz. 165-181.
[28]. Ulrik Huber, Heedendaegse Rechtsgeleertheyt, soo elders als in Frieslandt gebruikelyk, Vierde druk, Rotterdam, 1742; Simon van Leeuwen, Het Rooms-Hollands-Regt, zevende druk, Amsterdam, 1698; 11de druk, Amsterdam, 1744; Fockema Andreae, o.c., blz. 310. Dergelijke vonnissen werden gekend uit verzamelingen van vonnissen, die de grote advokatenkantoren in huis hadden. Enige van zulke verzamelingen zijn nog bewaard. Zie: E.D. Eijken, Inventaris van de verzameling handschriften, toebehorende aan de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, (verder HSS-VORG), z. pl. en j. (Zwolle, 1967), blzz. 35-36 nrs. 817-854. Vergelijk ook Strubberg, Overysselsch Advysboek, o.c., I-IV.