[ Repertorium ] [ Inhoudsopgave inleiding]

Help

IIIc. Ontstaan en herkomst van de leengoederen

Vorige ][ Volgende ]

De meeste van de omstreeks 1400 genoemde leengoederen zijn waarschijnlijk in de 11de-14de eeuw door de bisschop van Utrecht uitgegeven aan tot hem in een onderhorigheids- of horigheidsverhouding staande dienstmannen ("ministerialen") en werden door hun gehouden "in dienstmansstat". [7] Velen van deze dienstmannen hadden - evenzeer waarschijnlijk - oorspronkelijk horig goed bezeten, dat omgezet was in leengoed. Er zijn maar weinig archiefstukken bewaard, waaruit dat blijkt, maar een enkel voorbeeld van een dergelijke omzetting wordt onder andere in het oudste leenprotocol vermeld en ook na 1400 kwamen zulke omzettingen nog enkele malen voor. [8]

Niet al deze leengoederen lagen binnen het eigenlijke Oversticht, een omstandigheid waarvoor meerdere verklaringen zijn. Eén daarvan is de vaak zeer verspreide ligging van het goederen-bezit van diegenen, die in de 12de en 13de eeuw uitgroeiden tot territoriale landsheren, zoals de bisschop van Utrecht en de graven van Bentheim en Gelre, ofwel dat moesten opgeven, zoals de heer van Diepenheim, die tevens graaf van Dalen (Dahl) was. Gelderse lenen waren omstreeks 1400 binnen Overijssel in vrij groot aantal te vinden en sommige daarvan ook veel later nog. [9] Van een aantal omstreeks 1400 genoemde bisschoppelijke lenen is daarnaast bekend dat het oorspronkelijk Bentheimse lenen waren geweest, hetzij omdat zij nog in 1346 als zodanig in het leenregister van graaf Otto van Bentheim worden genoemd [10], hetzij omdat andere bronnen getuigen van hun overgang van Bentheims naar bisschoppelijk leen. [11] Dat er veel bisschoppelijke leengoederen op de Veluwe lagen kan daarnaast ook voortvloeien uit de omstandigheid, dat deze streek ooit deel had uitgemaakt van het Oversticht en waarschijnlijk nog in 1394 door de graaf van Gelre van de bisschop in leen werd ontvangen. [12] Daarnaast hadden enige in Drenthe gelegen goederen waarschijnlijk vóór 1395 de heer van Coevorden tot leenheer. [13]

Een aanmerkelijk aantal Overstichtse leengoederen was echter noch van bisschoppelijke noch van Bentheimse of Van Coevordense oorsprong maar had vóór 1331 de genoemde graaf van Dahl tot leenheer gehad, die tevens heer van Diepenheim was. Een graaf Heinrich von Dahl had omstreeks 1188 een zeer omvangrijk goederenbezit in Nederland en Duitsland gehad, waartoe ook Diepenheim behoorde, en dat blijkt uit een nog bewaard overzicht van zijn bezittingen. [14] In 1331 verkochten een vrouwelijke nakomeling van deze graaf en haar man een restant van dit complex aan de bisschop van Utrecht, die daarmee het kasteel en de heerlijkheid Diepenheim en ook een groot aantal leenmannen in Diepenheim en omstreken verwierf. [15] Een overzicht van het in 1331 verworvene is bewaard maar helaas in zeer zwaar beschadigde staat. [16]

Een groot aantal van deze Diepenheim-Dahlse lenen verdween in de loop van de 15de en 16de eeuw uit het zicht maar daar stond tegenover, dat keizer Karel V en na hem de Overijsselse Staten na 1528 nog verschillende nieuwe lenen creëerden [17], afgezien van de vele goederen, die in het kader van een leenruil de status van leengoed verwierven, waar tegenover dan weer andere goederen uit het leenverband werden ontslagen.

Noten:

[7]. J.M. van Winter, Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen, Groningen, 1962, blzz. 51vv en 100. Omstreeks 1400 werd aan "dienstman" of "ministeriaal" meestal een andere betekenis toegekend, die van "riddermatige".

[8]. Vergelijk nr. 836 en de nrs. 182, 420 en 1831.

[9]. J.J.S. baron Sloet en J.S. van der Veen, Register op de leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Leenen buiten Gelderland (Uitheemsche leenen), Arnhem, 1912, blzz. 34-43.

[10]. J. Prinz, Das Lehnregister des Grafen Otto van Bentheim, Mitteilungen des Vereins für Geschichte und Landeskunde von Osnabrück, 60 (1940), blzz. 1-133. Vergelijk de bladzijden 98 en 99 in verband met de nrs. 1123, 1129 en 1135.

[11]. G.J. ter Kuile, Oorkondenboek van Overijssel. Regesten 797-1350, IV, Zwolle, 1967, blz. 51, nr. 866: akte van 15 april 1328, waarbij de graaf van Bentheim een reeks van in Overijssel en Bentheim gelegen leengoederen overdroeg aan de bisschop van Utrecht.

[12]. S. Muller Fz. en A.C. Bouman, Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301, I (Utrecht 1920), blzz. 160 en 466, nrs. 174 en 527 uit de jaren 1021 (onecht) en 1196, benevens V ('s-Gravenhage 1959), blz. 416, nr. 2934 uit het jaar 1299. Vergelijk nr. 2022 van dit repertorium.

[13]. Vergelijk de nrs. 1645, 1650 en 1700 en daarnaast een akte van 7 september 1376, waarbij de heer van Coevorden Johan tho der Hansouwe beleende met tienden te Noordsleen in: J.G.C. Joosting, Stukken, afkomstig van ambtenaren en particulieren, berustende in het depôt van 's Rijks archieven in Drenthe, 's-Gravenhage, 1921, blz. 202, regest nr. 3.

[14]. F. Philippi en W.A.F. Bannier, Das Güterverzeichnis Graf Heinrichs von Dale, Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap, 25 (1904), blzz. 365-443.

[15]. E.D. Eijken, Het ontstaat van de drostambten van Diepenheim en Haaksbergen, V.M.VORG 82 (1967), blz. 8.

[16]. Voorin het Overstichtse leenprotocol BC.

[17]. Vergelijk de nrs. 1721, 1862, 1899, 2001 en 302.