Leengoederen en belening waren elementen van het leenstelsel. Dit leen- of "feodale" stelsel heeft zich in West-Europa sedert de 6de eeuw ontwikkeld als een middel voor vorsten en andere machthebbers om strijdbare mannen aan zich te binden en zo hun eigen macht en aanzien te verhogen. Het feodale stelsel ontwikkelde zich binnen gemeenschappen, waarin weinig geld in omloop was en bestond onder meer daarin, dat land en daarop betrekking hebbende rechten werden gebruikt om dergelijke strijdbare personen te belonen. Deze kregen landerijen en rechten in gebruik, in "leen" en mochten de opbrengsten daarvan gebruiken voor hun levensonderhoud en vaak ook voor het onderhoud van hun bewapening.
De basis van de leenverhouding was van oorsprong de persoonlijke band tussen een machthebber, een "heer", en zijn "vazal". De vazal verplichtte zich tot trouw aan zijn heer en tot dienst, meestal militaire dienst, waar tegenover de heer bescherming stelde tegen agressie door andere machthebbers benevens het genoemde middel van bestaan. [1]
Het ter beschikking stellen van leengoed had aanvankelijk een tijdelijk karakter maar op den duur groeide het bezit van leengoed uit tot een erfelijk recht van de leenman en zijn nakomelingen. In de 14de eeuw was dat erfelijk bezit van leengoed al sinds onheugelijke tijden gewoon. We kunnen het recht op een leengoed van die tijd zien als een zakelijk recht, als een vorm van bezit, dat onderworpen was aan bijzondere regels en vormen voor wat betreft vererving, verwerving en vervreemding, waar dan voor de bezitter nog een aantal bijzondere verplichtingen bijkwam.
Dit leenstelsel, dat gedurende de middeleeuwen en daarna tot aan de Franse Revolutie toe in grote delen van Europa tot de vormende elementen van de maatschappij behoorde, vervulde die rol ook in een groot gedeelte van de Nederlanden. [2] In het bijzonder gold dat voor de landen, waarover de bisschop van Utrecht vóór 1528 wereldlijk gezag uitoefende, voor het Sticht Utrecht. Hij trad binnen dat Sticht niet alleen op als landsheer maar voor wat een groot aantal goederen betreft ook als leenheer.
Noten:
[1]. A.S. de Blécourt, Kort begrip van het oud-vaderlands burgerlijk recht, zesde druk, bewerkt door H.F. Fischer, Groningen-Djakarta, 1950, blz. 402vv; S.J. Fockema Andreae, Het oud-Nederlandsch Burgerlijk Recht, Haarlem, 1906, I, blzz. 281-319.
[2]. Niet grote delen van de provincies Friesland en Groningen.