E.D. Eijken
Zwolle, 1966
INHOUDSOPGAVE
Inleiding
Drostambt Haaksbergen en Diepenheim
Drostambt Haaksbergen en Diepenheim
Het drostambt Haaksbergen en Diepenheim is onstaan door de vereniging van de
oudere drostambten van Haaksbergen en van Diepenheim, waarvan het grondgebied
overeenkwam met de richterambten en ook ongeveer de latere gemeenten van die
naam.2 Bij gebrek aan voldoende bronnenmateriaal is er weinig bekend over de
oorsprong van het wereldlijke gezag van de bisschop van Utrecht in deze gebieden
en over hun ontwikkeling tot afzonderlijke rechtsgebieden niet behorende tot
het drostambt Twente, hoewel zij nu en ook vroeger algemeen tot het landschap
Twente, werden gerekend.
Haaksbergen wordt als parochie voor het eerst vermeld in de goederenlijst van
graaf Hendrik van Dalen d.a. 11883), maar er blijkt niet, wie er toen de wereldlijke
macht uitoefende. Daarover vinden we pas iets in de 14e eeuw. Van Johannes van
Kemena, ambtman (dapifer) van Twente namens de graaf van Gelre, die van 1336
tot 1346 het Oversticht in pand hield van de bisschop van Utrecht, zijn enige
rekeningen bewaard, die zijn uitgegeven door S. Muller Fzn4. In die rekeningen
verantwoordt de ambtman ook ontvangsten 'ex judicio Hockesberge'. 5 Hieruit
en ook uit de hierna nog te noemen verpanding van de rechtspraak te Haaksbergen
blijkt wel, dat de Utrechtse bisschoppen in deze eeuw de wereldlijke macht te
Haaksbergen reeds bezaten. De opvatting van Racer, dat zij deze macht pas in
1449 verwierven bij gelegenheid van de aankoop van de Blankenborch,6 kan dan
ook niet juist zijn en hijzelf herriep deze stelling trouwens al spoedig,7maar
desondanks is zij sedertdien nog door vale schrijvers herhaald.8 Maar wanneer
en op welke wijze de bisschop van Utrecht zijn gezag te Haaksbergen heeft verworven
blijft voorlopig een raadsel.
Uit de rekeningen van Johannes van Kemena zou men ook kunnen opmaken, dat het
gebied van Haaksbergen in de eerste helft van de 14e eeuw tot het ambt Twente,
het latere drostambt, werd gerekend, maar hoe dat ook zij, korte tijd later
zal er een aparte ambtman zijn opgetreden, nadat op 1 mei 1363 bisschop Johan
van Arkel de hoge en lage rechtspraak te Haaksbergen in pand had gegeven aan
Johan van Heeckeren9 welke pandschap pas op 6 juni 1423 eindigde.10) Maar ook
na 1423 blijkt Haaksbergen niet gerekend te worden tot het drostambt Twente
maar een eigen ambtman te hebben. Nadat de bisschop in 1449 het huis in Blankenborch
bij Haaksbergen door aankoop had verworven11) trad de aldaar door hem aangestelde
kastelein gewoonlijk tevens als ambtman van Haaksbergen op en hij werd daarom
dikwijls aangeduid als ambtman (later drost) "te Blankenborch".12)
In 1547 gaf Karel V het drost- en rentambt van de "heerlijckheyt van Blankenbergh
ende Haecxberge, gelegen in onse landen van Twenthen"aan Johan van Reede,
die reeds drost van Diepenheim en landrentmeester van Twente was.13) Sedertdien
hadden beide drostambten steeds samen één drost.
Ook Diepenheim wordt voor het eerst in de reeds genoemde goederenlijst van de
graaf van Dalen vermeld.14) Graaf Hendrik wordt daar aangeduid als "fundator
castri in Depenhem", maar noch uit deze lijst noch uit latere gegevens
blijkt hoe de staatsrechtelijke positie van Diepenheim toen was. De graaf van
Dalen blijkt wel daar en elders in Overijssel vele goederen en rechten te bezitten
maar van jurisdictie te Diepenheim wordt niet gesproken hoewel er wel jurisdictie
te Heumen ter sprake komt.
Om redenen, besproken in mijn eerder geciteerde artikel, meen ik evenwel te
moeten aannemen, dat de graaf van Dalen te Diepenheim hoge rechtspraak bezat.15)
Een ambtman te Diepenheim wordt reeds vermeld in 122516) en ook in 1321 wordt
er een genoemd,17) maaar uit deze acten blijkt niet wie hem heeft aangesteld.18
) Na 1331 wordt regelmatig een ambtman van Diepenheim genoemd, die we meestal
betrokken vinden bij volontaire gerichtshandelingen,19) hoewel er reeds in 1405
een richter van Diepenheim wordt genoemd, die bij gelijksoortige rechtshandelingen
betrokken is.20) In 1478 komt voor het eerst de benaming drost van Diepenheim
voor.21)
Zoals gezegd kregen Haaksbergen en Diepenheim in 1547 een gemeenschappelijke
drost. De benaming drost van Haaksbergen en Diepenheim komt voor vanaf 159822)
en blijft tot het einde toe de gebruikelijke. Dat einde kwam voor het drostambt
Haaksbergen en Diepenheim in 1811, maar kondigde zich al veel eerder aan, in
1795. In de 17e en 18e eeuw had de drost in zijn district belangrijke bevoegheden,
zowel in zaken van bestuur als van rechtspraak. Gerhard Dumbar noemt de taak
van de drost tweeledig. Hij bestaat in het "bewaren van goede orde en in
het houden van gerecht in zaken, die tot hunne rechtbanken behoren". Met
dat laatste bedoelt hij de bevoegdheid "zo over de kleine Steden als over
't platte land de bank te spannen" in criminele, matriomoniële en
possessoire zaken. In het bewaren van de goede orde oefent de drost, behoudens
op het gebied van de wetgeving, bijna dezelfde macht uit als de magistraten
in de grote steden en de schouten en richters zijn verplicht zijn daartoe gegeven
bevelen op te volgen.23) Het was gewoonte, dat voor deze aanzienlijke functie
steeds leden van de Ridderschap van Overijssel werden aangewezen.24) In deze
situatie kwam direct na de omwenteling van 1795 verandering. Het nieuw optredende
procinciale bestuur, Provisionele Representanten van het Volk van Overijssel
was van oordeel, dat een reorganisatie van de "zorge voor de Policie en
administratie der Criminele Justitie" volstrekt noodzakelijk was.25) Maar
omdat een dergelijke reorganisatie niet onmiddellijk uitvoerbaar was besloten
de Representanten op 6 februari 1795 een commissie uit hun midden in te stellen,
die voorlopig de taak van de drosten en andere hoofdofficieren moest waarnemen
en "bekwaame burgers"moest uitzoeken, die als provisionele verwalters
op konden treden.26) De laatste adellijke drost van Haaksbergen en Diepenheim,
F.W. Sloet tot Warmelo27), verdween in januari 1795 in stilte van het toneel
en werd op 17 april daaraanvolgende opgevolgd door mr. J.B. Auffmorth als provisioneel
verwalter drost.28) In de tussenliggende maanden werd de taak van de drost dus
waargenomen door de voornoemde commissie. In het verbaal van het door haar verhandelde29)
blijkt echter weinig van de bemoeiingen met de zaken van het drostambt. De voor
het drostengericht aanhangige zaken bleven rusten tot het optreden van de verwalter
dorst.30) In de taak van deze voorlopige waarnemer van het drostambt kwam formeel
nog geen verandering, al werd er waarschijnlijk door de commissie en door Provisionele
Representanten wel meer toezicht op hem uitgeoefend dan bij zijn voorgangers
het geval was. Ingrijpende veranderingen in zijn taak bracht het Reglement voor
het Departement van Overijssel van 1802,31) dat de criminele jurisdictie over
het platteland van Overijssel opdroeg aan een nieuw op te richten Departementaal
Hof van Jutitie.32) De drosten bleven bevoegd kleinere wetsovertredingen te
vervolgen en boeten op te leggen, maar als de procureurgeneraal van het Departementale
Hof een criminele vervolging noodzakelijk achtte, moest de drost de zaak aan
hem overlaten.33) Nog verder werden zijn bevoegdheden beperkt door de wet van
13 april 1807 "nopens berustende "Reglement op het Bestuur in de departementen
van 29 april 180734), waarbij het bestuur van de departementen werd opgedragen
aan landdrost en assessoren en aan kwartierdrosten.35) Daardoor verloren de
Overijsselse drosten hun bestuurstaak. Weldra verloren zij ook hun oude naam
, want bij besluit van de landdrost van overijssel van 13 october 1807 werd
deze gewijzigd in "baljuw".36) Deze baljuw zonder zijn vroegere bestuurlijke
taak en voor wat zijn jurisdictie aanging ingeperst tussen het Departementaal
Hof van Justitie en de oude lagere gerichten bezat weinig meer van zijn oude
glorie. Zeker zou hij bij de door koning Lodewijk Napoleon voorgenomen landelijke
reorganisatie van de rechtspraak zijn verdwenen, als deze zijn plannen had kunnen
voltooien. Nu werd het oude ambt weggespoeld door de zondvloed van de Franse
wetgeving. Het Keizerlijk Decreet van 18 october 1810,37) bepaalde, dat alle
in ons land bestaande rechterlijke college's met ingang van 1 januari 1811 zouden
zijn opgeheven, een datum, die door een ander decreet van 6 januari 1811 38)
werd verschoven naar 1 maart 1811. Op deze laatste datum hield dus het drostambt,
laatstelijk baljuwschap, van Haaksbergen en Diepenheim op te bestaan.
Het archief van het baljuwschap werd na de opheffing overgebracht naar de griffie
van de Rechtbank van eersten Aanleg te Almelo.39) vanwaar het in 1880 met de
archieven van andere Twentse rechtscollege's werd overgebracht naar het Rijksarchief
in Overijssel.40)
Van het archief van het drostambt is zeer weinig bewaard. De rechtbank te Almelo
ontving alleen archivalia, die na de omwenteling van 1795 waren ontstaan of
gebruikt, dat wil zeggen stukken uit de ambtsperiode van mr. J.B. Auffmorth,
die van zijn voorganger blijkbaar alleen het lopende, in 1791 aangevangen, protocol
van contentieuze gerichtshandelingen en enige procesdossiers had overgenomen.
Deze stukken zijn thans nog alle aanwezig.41) In het archief van het Departementaal
Hof van Justitie bevonden zich 5 procesdossiers in criminele zaken uit de jaren
1798 - 1801, die in 1802 door mr. Auffmorth aan het Hof waren overgedragen.42)
Deze zijn weer bij het archief van het drostambt gevoegd.43) Tevens zijn bij
dit archief nog gevoegd een aantal 17e en 18e eeuwse stukken van het drostambt,
die bij de ordening van het oud-archief van Goor te voorschijn zijn gekomen
en in 1934 met andere stukken aan het Rijksarchief zijn overgedragen.44) Het
valt te hopen, dat het aldus gevormde schamele restant van het archief in de
toekomst nog zal worden aangevuld met vondsten in een aantal thans nog ongeordende
huisarchieven.
DROSTAMBT HAAKSBERGEN EN DIEPENHEIM
1. Ingekomen stukken, 1734 - 1810.
1 pak.
N.B. Hierin ook een lijst van joden, in 1745 te Haaksbergen woonachtig.
2. Stukken, ontvangen van verschillende departementale besturen, die in Overijssel
hebben gefungeerd, 1801 - 1810.
1 pak.
3. Signalementen van in Overijssel en elders veroordeelde of gezochte misdadigers,
1801 - 1810.
1 pak.
4. Minuten van uitgegane stukken, 1801 - 1808.
1 omslag.
5. Algemeen protocol, 1795 - 1807.
1 deel.
N.B. Het deel is zwaar door vocht beschadigd en deels onleesbaar. Het bevat aantekeningen van de drost over zijn verrichtingen, benevens afschriften van allerlei ingekomen en uitgegane stukken, voornamelijk requesten met de daarop verleende appointementen. Tussen april 1796 en juli 1801 zijn er in dit deel geen aantekeningen gemaakt.
6. Aantekeningen betreffende personen, die vergunning hebben om te jagen, 1802,
1806.
1 omslag.
7. Opgave van onder voogdij gestelden, 1801.
1 omslag.
8. Stukken betreffende ten behoeve van de armen gecollecteerde gelden, 1804
- 1807.
1 omslag.
9. Stukken betreffende de invoering van een staat- en wegbelasting in de dorpen
Haaksbergen en Honesch,1803.
1 omslag.
10. Stukken betreffende de vaststelling van de kohieren van de verponding van
gebouwde goederen te Haaksbergen en Diepenheim, 1806.
1 omslag.
11. Stukken betreffende de onderrichter te Diepenheim, 1757.
1 omslag.
12. Concept-acte van aanstelling van Christiaan ter Hogt tot ijkmeester in
Haaksbergen en Diepenheim, 1805.
1 stuk.
13-14. Protocol van contentieuse gerichtshandelingen, 1791 - 1809.
2 delen.
N.B. Vóór 1802 werden in dit protocol tevens de handelingen in criminele zaken aangetekend.
13. 1791 - 1803.
N.B. Dit deel is zwaar door vocht beschadigd en deels onleesbaar. Achterin ontbreken één of meer folia.
14. 1804 - 1809.
N.B. Het protocol over het tijdvak 8 juli 1803 tot 24 juni 1804 ontbreekt.
15. Minuten van gerichtshandelingen in boetestraffelijke zaken, 1802 - 1806.
1 omslag.
N.B. Deze minuten zijn niet in het protocol geregistreerd.
16. Aangiften van te Diepenheim en Haaksbergen begane delicten, 1796, 1801
- 1811.
1 pak.
17. Dagvaardingen in boetestraffelijke zaken, 1740, 1801 - 1807.
1 omslag.
N.B. Op de meeste dagvaardingen volgde geen proces. De gedaagde maakte gewoonlijk de zaak met de drost af, dat wil zeggen, dat hij vrijwillig de door de drost gevordee boete betaalde. Daarvan werd dan op de dagvaarding een aantekening gemaakt.
18. Stukken betreffende de instructie in criminele zaken, 1657, 1733 - 1809.
1 omslag.
19. Stukken en aantekeningen betreffende een door de drost wegens mishandeling
voor het landgericht Haaksbergen gevoerde arrest procedure tegen Herman Elsebroek,
alias kapitein Jean, benevens het protest, dat Rutger Andries Pattkull tot Cranenborg,
landrentmeester van Twente en werkgever van Elsebroek als intervenient heeft
ingediend bij Gedeputeerde Staten van Overijssel tegen de procesvoering in diens
zaak, 1717 - 1723.
1 omslag.
20. Stukken betreffende de stuiting van de geboden van Zwaantje Brandhof en
Gerhard Wolterink, 1807.
1 omslag.
21-38. Stukken betreffende voor het drostengericht gevoerde civiele processen,
1662 - 1810.
18 omslagen en pakken.
N.B. Vergelijk de specificatie van deze processen onder bijlage nummer I nummers 21 - 38.
39-43. Stukken betreffende voor het drostengericht gevoerde criminele processen,
1798 - 1801.
5 omslagen.
N.B. Vergelijk de specificatie van deze processen onder bijlage nummer I nummers 39 - 43.
N.B. Vergelijk de nummers 21 - 43 van de inventaris.
21. 1662. Ten Colvoerde ca Croeskoop.
Lummeke ten Colvoerde vordert, dat Dries te Croeskoop haar zal huwen ofwel subsidiair
behoorlijk doteren.
Incompleet. Alleen het vonnis is bewaard.
22. 1676 - 1684. Jansen ca Wolberts.
Jenneke Jansen vordert, dat Johan Wolberts haar zal huwen ofwel subsidiair behoorlijk
doteren. Vervolgens eist zij als triumphante vergoeding van proceskosten.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.
23. 1730 - 1733. Meyers en Jacobs ca Foks.
De erven Meyers benevens Gerrit Jacobs procederen tegen de weduwe Foks. Uit
de bewaarde stukken blijkt het onderwerp van geschil niet.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.
24. 1736. Meyerink ca Derksen.
Meyerink procedeert tegen Jenneke Derksen. Uit de bewaarde stukken blijkt het
onderwerp van geschil niet.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.
25. 1741. Lenderink ca Ter Braak.
Gerrit Lenderink en zijn vrouw Aaltje op de Bult procederen tegen Gerrit ter
Braak. Uit de bewaarde stukken blijkt het onderwerp van geschil niet.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.
26. 1762 - 1798. Scholten ca Hulshoff.
27. Hendrik Scholten c.s. vorderen, dat Herman Hulshoff een woning, die hij
zonder daartoe gerechtigd te zijn heeft gebouwd op het erf De Rijt te Buurse
zal afbreken althans niet voor bewoning gebruiken.
Niet geheel compleet. Twee incidentele vonnissen en het eindvonnis zijn bewaard.
N.B. Een markeresolutie van Buurse bepaalde, dat op één volgewaard erf niet meer dan twee woningen zouden mogen staan. Op De Rijt stonden er al drie en bovendien was Hulshoff maar voor 1/12 gewaard.
28. 1788. Velsen ca Waanders.
Maria Amana, weduwe Velsen, vordert, dat Derk Waanders haar in het rustig bezit
van de straat voor haar huis zal laten en de door hem vernielde goot in die
straat in zijn oude staat zal herstellen.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.
29. 1794 - 1800. Varenbrink ca Hofstede.
Gerrit Varenbrink, meier van het provinciale erf Varenbrink in het gericht Diepenheim,
vordert dat Jannes Hofstede alias Krogt het tot het erf Varenbrink behorende
goed De Krogt onder Diepenheim, dat hij van eiser in pacht houdt, zal ontruimen.
Gedaagde stelt, dat hij het goed in erfpacht houdt.
Incompleet. Een incidenteel vonnis en het eindvonnis zijn bewaard.
30. 1800. Lankheet ca de Gereformeerde Diaconie te Haaksbergen.
De kinderen van Gerrit Lankheet vorderen, dat de bedoelde diaconie de onnozale
zoon van Gerrit Lankheet onderdak en verzorging zal verschaffen.
Compleet. Ook het vonnis is bewaard.
31. 1800 - 1801. Ellenveld ca Ros.
Johanna Ellenveld verzoekt echtscheiding van Jan Herman Ros benevens een beschikking
over de wijze van verdeling van hun gemeenschappelijke boedel.
Incompleet. Ook het vonnis is bewaard.
32. 1800 - 1803. Reimelink ca Beumers.
Jannes Reimelink vordert, dat Antonie Beumers, die van hem de boerderij De Kloeke
in het gericht Diepenheim in pacht houdt, deze boerderij zal ontruimen, daar
de pachtovereenkomst is beëindigd.
Compleet. Het vonnis is bewaard.
33. 1802 - 1803. Bos ca Hegeman.
Jacob Bos vordert vergoeding van de schade, die hij heeft geleden, omdat Hendrik
Hegeman op Groot Hilderink onrechtmatig een heg met bomen, staande op een aan
eiser toebehorend weiland De Grushoff te Buurse, heeft omgehakt.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.
N.B. Vergelijk het volgende nummer.
34. 1805. Smit ca Ter Hegede.
Herman Geerligs Smit vordert vergoeding van de schade, die hij heeft geleden,
omdat Hendrik ter Hegede op Groot Hilderink onrechtmatig plaggen heeft gestoken
uit de aan eiser toebehorende Klein Hilderinkskamp te Buurse.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.
N.B. Vergelijk het vorige nummer.
35. 1807. Leferink ca Leferink.
Jannes Leferink op de Heukerij vordert, dat zijn vader Jan Leferink op Leferink
hem toestemming zal geven om te huwen met Gesina Wassink.
Incompleet. Alleen het vonnis is bewaard.
36. 1807. Meyerink ca Westendorp.
Gerrit Meyerink te Buurse vordert schadevergoeding, omdat Johan Westendorp onrechtmatig
plaggen heeft gestoken uit een stuk plaggegrond bij eisers hoeve.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.
37. 1807. Teutelink ca Aarnink.
Gerrit Teutelink, eigenaar van de boerderij De Keizersplaats in de buurschap
Eppenzolder in het gericht Haaksbergen, vordert, dat Arend Aarnink hem in het
rustig bezit van zijn landerijen De Haa Bree en de Grote Bree benevens de daarbij
liggende weg zal laten en daar niet met zijn wagens en karren overheen rijden.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.
38. 1810. Wolterink ca Meulenkolk.
Jan Gerrit Wolterink vordert, dat Jan Hendrik Meulenkolk, die van hem een kleine
hoeve genaamd Nijland of Kruithof, gelegen in de buurschap Langelo in het gericht
Haaksbergen, in pacht houdt, deze hoeve zal ontruimen wegen beëindiging
van de pachtovereenkomst.
Incompleet.
Er is geen vonnis bewaard.
39. 1798. Het Bataafse Volk ca Ten Elsen.
Tegen Jannes ten Elsen wordt een tuchthuisstraf van 12 jaar geëist, wegens
oproerig gedrag.
Compleet. Ook het vonnis is bewaard.
N.B. Beklaagde had tijdens een fuifje uitgeroepen: "ik ben voor de Prins, Godomy, een regten prinsman, vivat de prins. Oranje boven". Hij vluchtte en werd ten slotte veroordeeld tot één jaar verbanning.
40. 1798 - 1799. Het Bataafse Volk ca Waanders en Bouwmeester.
Tegen Hendrikus Waanders en Derk Bouwmeester wordt enige jaren verbanning geëist
wegens oproerig gedrag.
Niet geheel compleet. Het vonnis is bewaard.
N.B. Beklaagden waren de aanvoerders van een volksmenigte, die zich op de avond voor Pasen 1798 met geweld een toegang had verschaft tot de toren van de kerk te Haaksbergen om de klokken te kunnen luiden, wat door de overheid was verboden. Zij werden na hun arrestatie door een volksmenigte bevrijd en vluchtten. Uiteindelijk werden zij drie jaren uit het voormalig gewest Overijssel gebannen.
41. 1799. Het Bataafse Volk ca Koenderink.
Miene Koenderink uit Markevelde wordt vervolgd wegens diefstal.
Compleet. Ook het vonnis is bewaard.
42. 1800 - 1801. Het Bataafse Volk ca Lankheet.
Hendrik Jan Lankheet wordt vervolgd wegens doodslag op Jan Brummelman.
Compleet. Ook het vonnis is bewaard.
43. 1801. Het Bataafse Volk ca Oostendorp.
Jan Harman Oostendorp wordt vervolgd wegens diefstal.
Compleet. Ook het vonnis is bewaard.
Concordans tussen de nummers van de oude geschreven inventaris en enige nummers van de nieuwe inventaris.
|
Oud |
Nieuw |
|
|
|
|
2082 |
13 |