INVENTARIS VAN HET ARCHIEF VAN HET
DROSTAMBT HAAKSBERGEN
EN
DIEPENHEIM
1657 - 1811

E.D. Eijken
Zwolle, 1966


INHOUDSOPGAVE

Inleiding
Drostambt Haaksbergen en Diepenheim

Inventaris

A. Algemeen
B. Bestuur
C. Rechtspraak

Bijlage I
Lijst van processen

Bijlage II


INLEIDING

Drostambt Haaksbergen en Diepenheim

Het drostambt Haaksbergen en Diepenheim is onstaan door de vereniging van de oudere drostambten van Haaksbergen en van Diepenheim, waarvan het grondgebied overeenkwam met de richterambten en ook ongeveer de latere gemeenten van die naam.2 Bij gebrek aan voldoende bronnenmateriaal is er weinig bekend over de oorsprong van het wereldlijke gezag van de bisschop van Utrecht in deze gebieden en over hun ontwikkeling tot afzonderlijke rechtsgebieden niet behorende tot het drostambt Twente, hoewel zij nu en ook vroeger algemeen tot het landschap Twente, werden gerekend.
Haaksbergen wordt als parochie voor het eerst vermeld in de goederenlijst van graaf Hendrik van Dalen d.a. 11883), maar er blijkt niet, wie er toen de wereldlijke macht uitoefende. Daarover vinden we pas iets in de 14e eeuw. Van Johannes van Kemena, ambtman (dapifer) van Twente namens de graaf van Gelre, die van 1336 tot 1346 het Oversticht in pand hield van de bisschop van Utrecht, zijn enige rekeningen bewaard, die zijn uitgegeven door S. Muller Fzn4. In die rekeningen verantwoordt de ambtman ook ontvangsten 'ex judicio Hockesberge'. 5 Hieruit en ook uit de hierna nog te noemen verpanding van de rechtspraak te Haaksbergen blijkt wel, dat de Utrechtse bisschoppen in deze eeuw de wereldlijke macht te Haaksbergen reeds bezaten. De opvatting van Racer, dat zij deze macht pas in 1449 verwierven bij gelegenheid van de aankoop van de Blankenborch,6 kan dan ook niet juist zijn en hijzelf herriep deze stelling trouwens al spoedig,7maar desondanks is zij sedertdien nog door vale schrijvers herhaald.8 Maar wanneer en op welke wijze de bisschop van Utrecht zijn gezag te Haaksbergen heeft verworven blijft voorlopig een raadsel.
Uit de rekeningen van Johannes van Kemena zou men ook kunnen opmaken, dat het gebied van Haaksbergen in de eerste helft van de 14e eeuw tot het ambt Twente, het latere drostambt, werd gerekend, maar hoe dat ook zij, korte tijd later zal er een aparte ambtman zijn opgetreden, nadat op 1 mei 1363 bisschop Johan van Arkel de hoge en lage rechtspraak te Haaksbergen in pand had gegeven aan Johan van Heeckeren9 welke pandschap pas op 6 juni 1423 eindigde.10) Maar ook na 1423 blijkt Haaksbergen niet gerekend te worden tot het drostambt Twente maar een eigen ambtman te hebben. Nadat de bisschop in 1449 het huis in Blankenborch bij Haaksbergen door aankoop had verworven11) trad de aldaar door hem aangestelde kastelein gewoonlijk tevens als ambtman van Haaksbergen op en hij werd daarom dikwijls aangeduid als ambtman (later drost) "te Blankenborch".12) In 1547 gaf Karel V het drost- en rentambt van de "heerlijckheyt van Blankenbergh ende Haecxberge, gelegen in onse landen van Twenthen"aan Johan van Reede, die reeds drost van Diepenheim en landrentmeester van Twente was.13) Sedertdien hadden beide drostambten steeds samen één drost.
Ook Diepenheim wordt voor het eerst in de reeds genoemde goederenlijst van de graaf van Dalen vermeld.14) Graaf Hendrik wordt daar aangeduid als "fundator castri in Depenhem", maar noch uit deze lijst noch uit latere gegevens blijkt hoe de staatsrechtelijke positie van Diepenheim toen was. De graaf van Dalen blijkt wel daar en elders in Overijssel vele goederen en rechten te bezitten maar van jurisdictie te Diepenheim wordt niet gesproken hoewel er wel jurisdictie te Heumen ter sprake komt.
Om redenen, besproken in mijn eerder geciteerde artikel, meen ik evenwel te moeten aannemen, dat de graaf van Dalen te Diepenheim hoge rechtspraak bezat.15)
Een ambtman te Diepenheim wordt reeds vermeld in 122516) en ook in 1321 wordt er een genoemd,17) maaar uit deze acten blijkt niet wie hem heeft aangesteld.18 ) Na 1331 wordt regelmatig een ambtman van Diepenheim genoemd, die we meestal betrokken vinden bij volontaire gerichtshandelingen,19) hoewel er reeds in 1405 een richter van Diepenheim wordt genoemd, die bij gelijksoortige rechtshandelingen betrokken is.20) In 1478 komt voor het eerst de benaming drost van Diepenheim voor.21)
Zoals gezegd kregen Haaksbergen en Diepenheim in 1547 een gemeenschappelijke drost. De benaming drost van Haaksbergen en Diepenheim komt voor vanaf 159822) en blijft tot het einde toe de gebruikelijke. Dat einde kwam voor het drostambt Haaksbergen en Diepenheim in 1811, maar kondigde zich al veel eerder aan, in 1795. In de 17e en 18e eeuw had de drost in zijn district belangrijke bevoegheden, zowel in zaken van bestuur als van rechtspraak. Gerhard Dumbar noemt de taak van de drost tweeledig. Hij bestaat in het "bewaren van goede orde en in het houden van gerecht in zaken, die tot hunne rechtbanken behoren". Met dat laatste bedoelt hij de bevoegdheid "zo over de kleine Steden als over 't platte land de bank te spannen" in criminele, matriomoniële en possessoire zaken. In het bewaren van de goede orde oefent de drost, behoudens op het gebied van de wetgeving, bijna dezelfde macht uit als de magistraten in de grote steden en de schouten en richters zijn verplicht zijn daartoe gegeven bevelen op te volgen.23) Het was gewoonte, dat voor deze aanzienlijke functie steeds leden van de Ridderschap van Overijssel werden aangewezen.24) In deze situatie kwam direct na de omwenteling van 1795 verandering. Het nieuw optredende procinciale bestuur, Provisionele Representanten van het Volk van Overijssel was van oordeel, dat een reorganisatie van de "zorge voor de Policie en administratie der Criminele Justitie" volstrekt noodzakelijk was.25) Maar omdat een dergelijke reorganisatie niet onmiddellijk uitvoerbaar was besloten de Representanten op 6 februari 1795 een commissie uit hun midden in te stellen, die voorlopig de taak van de drosten en andere hoofdofficieren moest waarnemen en "bekwaame burgers"moest uitzoeken, die als provisionele verwalters op konden treden.26) De laatste adellijke drost van Haaksbergen en Diepenheim, F.W. Sloet tot Warmelo27), verdween in januari 1795 in stilte van het toneel en werd op 17 april daaraanvolgende opgevolgd door mr. J.B. Auffmorth als provisioneel verwalter drost.28) In de tussenliggende maanden werd de taak van de drost dus waargenomen door de voornoemde commissie. In het verbaal van het door haar verhandelde29) blijkt echter weinig van de bemoeiingen met de zaken van het drostambt. De voor het drostengericht aanhangige zaken bleven rusten tot het optreden van de verwalter dorst.30) In de taak van deze voorlopige waarnemer van het drostambt kwam formeel nog geen verandering, al werd er waarschijnlijk door de commissie en door Provisionele Representanten wel meer toezicht op hem uitgeoefend dan bij zijn voorgangers het geval was. Ingrijpende veranderingen in zijn taak bracht het Reglement voor het Departement van Overijssel van 1802,31) dat de criminele jurisdictie over het platteland van Overijssel opdroeg aan een nieuw op te richten Departementaal Hof van Jutitie.32) De drosten bleven bevoegd kleinere wetsovertredingen te vervolgen en boeten op te leggen, maar als de procureurgeneraal van het Departementale Hof een criminele vervolging noodzakelijk achtte, moest de drost de zaak aan hem overlaten.33) Nog verder werden zijn bevoegdheden beperkt door de wet van 13 april 1807 "nopens berustende "Reglement op het Bestuur in de departementen van 29 april 180734), waarbij het bestuur van de departementen werd opgedragen aan landdrost en assessoren en aan kwartierdrosten.35) Daardoor verloren de Overijsselse drosten hun bestuurstaak. Weldra verloren zij ook hun oude naam , want bij besluit van de landdrost van overijssel van 13 october 1807 werd deze gewijzigd in "baljuw".36) Deze baljuw zonder zijn vroegere bestuurlijke taak en voor wat zijn jurisdictie aanging ingeperst tussen het Departementaal Hof van Justitie en de oude lagere gerichten bezat weinig meer van zijn oude glorie. Zeker zou hij bij de door koning Lodewijk Napoleon voorgenomen landelijke reorganisatie van de rechtspraak zijn verdwenen, als deze zijn plannen had kunnen voltooien. Nu werd het oude ambt weggespoeld door de zondvloed van de Franse wetgeving. Het Keizerlijk Decreet van 18 october 1810,37) bepaalde, dat alle in ons land bestaande rechterlijke college's met ingang van 1 januari 1811 zouden zijn opgeheven, een datum, die door een ander decreet van 6 januari 1811 38) werd verschoven naar 1 maart 1811. Op deze laatste datum hield dus het drostambt, laatstelijk baljuwschap, van Haaksbergen en Diepenheim op te bestaan.
Het archief van het baljuwschap werd na de opheffing overgebracht naar de griffie van de Rechtbank van eersten Aanleg te Almelo.39) vanwaar het in 1880 met de archieven van andere Twentse rechtscollege's werd overgebracht naar het Rijksarchief in Overijssel.40)
Van het archief van het drostambt is zeer weinig bewaard. De rechtbank te Almelo ontving alleen archivalia, die na de omwenteling van 1795 waren ontstaan of gebruikt, dat wil zeggen stukken uit de ambtsperiode van mr. J.B. Auffmorth, die van zijn voorganger blijkbaar alleen het lopende, in 1791 aangevangen, protocol van contentieuze gerichtshandelingen en enige procesdossiers had overgenomen. Deze stukken zijn thans nog alle aanwezig.41) In het archief van het Departementaal Hof van Justitie bevonden zich 5 procesdossiers in criminele zaken uit de jaren 1798 - 1801, die in 1802 door mr. Auffmorth aan het Hof waren overgedragen.42) Deze zijn weer bij het archief van het drostambt gevoegd.43) Tevens zijn bij dit archief nog gevoegd een aantal 17e en 18e eeuwse stukken van het drostambt, die bij de ordening van het oud-archief van Goor te voorschijn zijn gekomen en in 1934 met andere stukken aan het Rijksarchief zijn overgedragen.44) Het valt te hopen, dat het aldus gevormde schamele restant van het archief in de toekomst nog zal worden aangevuld met vondsten in een aantal thans nog ongeordende huisarchieven.

INVENTARIS

DROSTAMBT HAAKSBERGEN EN DIEPENHEIM

A. Algemeen

1. Ingekomen stukken, 1734 - 1810.
1 pak.

N.B. Hierin ook een lijst van joden, in 1745 te Haaksbergen woonachtig.

2. Stukken, ontvangen van verschillende departementale besturen, die in Overijssel hebben gefungeerd, 1801 - 1810.
1 pak.

3. Signalementen van in Overijssel en elders veroordeelde of gezochte misdadigers, 1801 - 1810.
1 pak.

4. Minuten van uitgegane stukken, 1801 - 1808.
1 omslag.

5. Algemeen protocol, 1795 - 1807.
1 deel.

N.B. Het deel is zwaar door vocht beschadigd en deels onleesbaar. Het bevat aantekeningen van de drost over zijn verrichtingen, benevens afschriften van allerlei ingekomen en uitgegane stukken, voornamelijk requesten met de daarop verleende appointementen. Tussen april 1796 en juli 1801 zijn er in dit deel geen aantekeningen gemaakt.


B. Bestuur

6. Aantekeningen betreffende personen, die vergunning hebben om te jagen, 1802, 1806.
1 omslag.

7. Opgave van onder voogdij gestelden, 1801.
1 omslag.

8. Stukken betreffende ten behoeve van de armen gecollecteerde gelden, 1804 - 1807.
1 omslag.

9. Stukken betreffende de invoering van een staat- en wegbelasting in de dorpen Haaksbergen en Honesch,1803.
1 omslag.

10. Stukken betreffende de vaststelling van de kohieren van de verponding van gebouwde goederen te Haaksbergen en Diepenheim, 1806.
1 omslag.

11. Stukken betreffende de onderrichter te Diepenheim, 1757.
1 omslag.

12. Concept-acte van aanstelling van Christiaan ter Hogt tot ijkmeester in Haaksbergen en Diepenheim, 1805.
1 stuk.

C. Rechtspraak

13-14. Protocol van contentieuse gerichtshandelingen, 1791 - 1809.
2 delen.

N.B. Vóór 1802 werden in dit protocol tevens de handelingen in criminele zaken aangetekend.

13. 1791 - 1803.

N.B. Dit deel is zwaar door vocht beschadigd en deels onleesbaar. Achterin ontbreken één of meer folia.

14. 1804 - 1809.

N.B. Het protocol over het tijdvak 8 juli 1803 tot 24 juni 1804 ontbreekt.

15. Minuten van gerichtshandelingen in boetestraffelijke zaken, 1802 - 1806.
1 omslag.

N.B. Deze minuten zijn niet in het protocol geregistreerd.

16. Aangiften van te Diepenheim en Haaksbergen begane delicten, 1796, 1801 - 1811.
1 pak.

17. Dagvaardingen in boetestraffelijke zaken, 1740, 1801 - 1807.
1 omslag.

N.B. Op de meeste dagvaardingen volgde geen proces. De gedaagde maakte gewoonlijk de zaak met de drost af, dat wil zeggen, dat hij vrijwillig de door de drost gevordee boete betaalde. Daarvan werd dan op de dagvaarding een aantekening gemaakt.

18. Stukken betreffende de instructie in criminele zaken, 1657, 1733 - 1809.
1 omslag.

19. Stukken en aantekeningen betreffende een door de drost wegens mishandeling voor het landgericht Haaksbergen gevoerde arrest procedure tegen Herman Elsebroek, alias kapitein Jean, benevens het protest, dat Rutger Andries Pattkull tot Cranenborg, landrentmeester van Twente en werkgever van Elsebroek als intervenient heeft ingediend bij Gedeputeerde Staten van Overijssel tegen de procesvoering in diens zaak, 1717 - 1723.
1 omslag.

20. Stukken betreffende de stuiting van de geboden van Zwaantje Brandhof en Gerhard Wolterink, 1807.
1 omslag.

21-38. Stukken betreffende voor het drostengericht gevoerde civiele processen, 1662 - 1810.
18 omslagen en pakken.

N.B. Vergelijk de specificatie van deze processen onder bijlage nummer I nummers 21 - 38.

39-43. Stukken betreffende voor het drostengericht gevoerde criminele processen, 1798 - 1801.
5 omslagen.

N.B. Vergelijk de specificatie van deze processen onder bijlage nummer I nummers 39 - 43.

BIJLAGE I

Lijst van processen

N.B. Vergelijk de nummers 21 - 43 van de inventaris.

21. 1662. Ten Colvoerde ca Croeskoop.
Lummeke ten Colvoerde vordert, dat Dries te Croeskoop haar zal huwen ofwel subsidiair behoorlijk doteren.
Incompleet. Alleen het vonnis is bewaard.

22. 1676 - 1684. Jansen ca Wolberts.
Jenneke Jansen vordert, dat Johan Wolberts haar zal huwen ofwel subsidiair behoorlijk doteren. Vervolgens eist zij als triumphante vergoeding van proceskosten.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.

23. 1730 - 1733. Meyers en Jacobs ca Foks.
De erven Meyers benevens Gerrit Jacobs procederen tegen de weduwe Foks. Uit de bewaarde stukken blijkt het onderwerp van geschil niet.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.

24. 1736. Meyerink ca Derksen.
Meyerink procedeert tegen Jenneke Derksen. Uit de bewaarde stukken blijkt het onderwerp van geschil niet.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.

25. 1741. Lenderink ca Ter Braak.
Gerrit Lenderink en zijn vrouw Aaltje op de Bult procederen tegen Gerrit ter Braak. Uit de bewaarde stukken blijkt het onderwerp van geschil niet.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.

26. 1762 - 1798. Scholten ca Hulshoff.

27. Hendrik Scholten c.s. vorderen, dat Herman Hulshoff een woning, die hij zonder daartoe gerechtigd te zijn heeft gebouwd op het erf De Rijt te Buurse zal afbreken althans niet voor bewoning gebruiken.
Niet geheel compleet. Twee incidentele vonnissen en het eindvonnis zijn bewaard.

N.B. Een markeresolutie van Buurse bepaalde, dat op één volgewaard erf niet meer dan twee woningen zouden mogen staan. Op De Rijt stonden er al drie en bovendien was Hulshoff maar voor 1/12 gewaard.

28. 1788. Velsen ca Waanders.
Maria Amana, weduwe Velsen, vordert, dat Derk Waanders haar in het rustig bezit van de straat voor haar huis zal laten en de door hem vernielde goot in die straat in zijn oude staat zal herstellen.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.

29. 1794 - 1800. Varenbrink ca Hofstede.
Gerrit Varenbrink, meier van het provinciale erf Varenbrink in het gericht Diepenheim, vordert dat Jannes Hofstede alias Krogt het tot het erf Varenbrink behorende goed De Krogt onder Diepenheim, dat hij van eiser in pacht houdt, zal ontruimen. Gedaagde stelt, dat hij het goed in erfpacht houdt.
Incompleet. Een incidenteel vonnis en het eindvonnis zijn bewaard.

30. 1800. Lankheet ca de Gereformeerde Diaconie te Haaksbergen.
De kinderen van Gerrit Lankheet vorderen, dat de bedoelde diaconie de onnozale zoon van Gerrit Lankheet onderdak en verzorging zal verschaffen.
Compleet. Ook het vonnis is bewaard.

31. 1800 - 1801. Ellenveld ca Ros.
Johanna Ellenveld verzoekt echtscheiding van Jan Herman Ros benevens een beschikking over de wijze van verdeling van hun gemeenschappelijke boedel.
Incompleet. Ook het vonnis is bewaard.


32. 1800 - 1803. Reimelink ca Beumers.
Jannes Reimelink vordert, dat Antonie Beumers, die van hem de boerderij De Kloeke in het gericht Diepenheim in pacht houdt, deze boerderij zal ontruimen, daar de pachtovereenkomst is beëindigd.
Compleet. Het vonnis is bewaard.

33. 1802 - 1803. Bos ca Hegeman.
Jacob Bos vordert vergoeding van de schade, die hij heeft geleden, omdat Hendrik Hegeman op Groot Hilderink onrechtmatig een heg met bomen, staande op een aan eiser toebehorend weiland De Grushoff te Buurse, heeft omgehakt.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.

N.B. Vergelijk het volgende nummer.

34. 1805. Smit ca Ter Hegede.
Herman Geerligs Smit vordert vergoeding van de schade, die hij heeft geleden, omdat Hendrik ter Hegede op Groot Hilderink onrechtmatig plaggen heeft gestoken uit de aan eiser toebehorende Klein Hilderinkskamp te Buurse.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.

N.B. Vergelijk het vorige nummer.

35. 1807. Leferink ca Leferink.
Jannes Leferink op de Heukerij vordert, dat zijn vader Jan Leferink op Leferink hem toestemming zal geven om te huwen met Gesina Wassink.
Incompleet. Alleen het vonnis is bewaard.

36. 1807. Meyerink ca Westendorp.
Gerrit Meyerink te Buurse vordert schadevergoeding, omdat Johan Westendorp onrechtmatig plaggen heeft gestoken uit een stuk plaggegrond bij eisers hoeve.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.

37. 1807. Teutelink ca Aarnink.
Gerrit Teutelink, eigenaar van de boerderij De Keizersplaats in de buurschap Eppenzolder in het gericht Haaksbergen, vordert, dat Arend Aarnink hem in het rustig bezit van zijn landerijen De Haa Bree en de Grote Bree benevens de daarbij liggende weg zal laten en daar niet met zijn wagens en karren overheen rijden.
Incompleet. Er is geen vonnis bewaard.

38. 1810. Wolterink ca Meulenkolk.
Jan Gerrit Wolterink vordert, dat Jan Hendrik Meulenkolk, die van hem een kleine hoeve genaamd Nijland of Kruithof, gelegen in de buurschap Langelo in het gericht Haaksbergen, in pacht houdt, deze hoeve zal ontruimen wegen beëindiging van de pachtovereenkomst.
Incompleet.
Er is geen vonnis bewaard.

39. 1798. Het Bataafse Volk ca Ten Elsen.
Tegen Jannes ten Elsen wordt een tuchthuisstraf van 12 jaar geëist, wegens oproerig gedrag.
Compleet. Ook het vonnis is bewaard.

N.B. Beklaagde had tijdens een fuifje uitgeroepen: "ik ben voor de Prins, Godomy, een regten prinsman, vivat de prins. Oranje boven". Hij vluchtte en werd ten slotte veroordeeld tot één jaar verbanning.

40. 1798 - 1799. Het Bataafse Volk ca Waanders en Bouwmeester.
Tegen Hendrikus Waanders en Derk Bouwmeester wordt enige jaren verbanning geëist wegens oproerig gedrag.
Niet geheel compleet. Het vonnis is bewaard.

N.B. Beklaagden waren de aanvoerders van een volksmenigte, die zich op de avond voor Pasen 1798 met geweld een toegang had verschaft tot de toren van de kerk te Haaksbergen om de klokken te kunnen luiden, wat door de overheid was verboden. Zij werden na hun arrestatie door een volksmenigte bevrijd en vluchtten. Uiteindelijk werden zij drie jaren uit het voormalig gewest Overijssel gebannen.

41. 1799. Het Bataafse Volk ca Koenderink.
Miene Koenderink uit Markevelde wordt vervolgd wegens diefstal.
Compleet. Ook het vonnis is bewaard.

42. 1800 - 1801. Het Bataafse Volk ca Lankheet.
Hendrik Jan Lankheet wordt vervolgd wegens doodslag op Jan Brummelman.
Compleet. Ook het vonnis is bewaard.

43. 1801. Het Bataafse Volk ca Oostendorp.
Jan Harman Oostendorp wordt vervolgd wegens diefstal.
Compleet. Ook het vonnis is bewaard.

BIJLAGE II

Concordans tussen de nummers van de oude geschreven inventaris en enige nummers van de nieuwe inventaris.

Oud

Nieuw

 

 

2082
2083
2084

13
14
4