PERSONEN IN ZUTPHEN

Inleiding
De geschiedenis van de stad Zutphen in de achttiende eeuw kenmerkt zich door een voortdurende politieke strijd om behoud van privileges en inspraak in het stadsbestuur. Tussen 1783 en 1795 leidde deze strijd tot heftige confrontaties. Twee groeperingen stonden in de stad lijnrecht tegenover elkaar. Enerzijds de aanhangers van de zittende leden van de magistraat, die steun betuigden aan de politiek van erfstadhouder Willem V , en anderzijds diegenen die ijverden voor het herstel van de oude privilegiën, die gilden en gemeenslieden vroeger genoten hadden. Maar ook persoonlijke motieven hebben in dit conflict meegespeeld, zoals het verlangen eindelijk een plaats als schepen te verwerven. Beide groepen werden aangevoerd door kleurrijke en krachtige figuren, die niet alleen de tweedracht onder de burgers weerspiegelen maar ook de facties in de Ridderschap.

POLITIEK IN ZUTPHEN

Inleiding
Zelden is in de geschiedenis van de stad Zutphen een periode geweest die de burgers onderling zo heeft verdeeld als juist de jaren 1782-1813. Tot ver in de negentiende eeuw was het "not done" om deze woelige jaren onderwerp van gesprek te laten zijn. De wonden waren nog te vers. Zowel de patriotten als de orangisten kenden kleurrijke aanvoerders. Aan de kant van Oranje was het August Robert van Heeckeren tot Suideras die de strijd aanvoerde.
De directe opponent van deze "bloedtapper", refererend aan een uitspraak van Van Heeckeren dat er in Zutphen bloed zou vloeien als in deze stad patriots gedachtengoed zou wortelen, was Robert Jasper vander Capellen tot den Marsch, de neef van de bekende Joan Derk. Onder aanvoering van Robert Jasper werd op 15 maart 1783 een rekest [rekesten ] onder de bevolking van Zutphen verspreid, waarin het college van gemeenslieden werd aangespoord op te komen voor zijn privileges. Kort daarop, in april, werd een adres opgesteld, dat door 200 burgers was ondertekend en zich richtte tot het stadsbestuur. De magistraat was absoluut niet geïnteresseerd om over zoiets als inspraak te praten en verklaarde de ingediende eisen niet ontvankelijk. De Magistraat besloot vervolgens de commandant van de in Zutphen ingekwartierde militairen opdracht te geven desnoods geweld te gebruiken om orde en rust af te dwingen. Als reactie daarop begonnen de burgers hun schutterijen [ burgermilities ] te versterken en openlijk uitbreiding van exercitieterreinen [ exercitiegenootschap ] te eisen.
Een dieptepunt bereikte het conflict in 1787. Door de inmenging van de koning van Pruisen in het conflict in de Republiek wisten de zich verzekerd van militaire steun. De dreigende militaire confrontatie in de stad tussen de gewapende burgers en het ingekwartierde garnizoen liep uit op een debacle voor de patriotten . Op alle punten moesten zij bakzeil halen.
Dat betekende in feite het einde van de opstand in Zutphen. Van Heeckeren van Suideras schrijft op 26 juni aan Willem V , met wie hij op vertrouwde voet stond: 'Een allersterkste en onverwagste revolutie heeft hier een totale omwenteling van saaken teweeggebracht, en wel sodanig dat er bijna geen huys meergevonden word of 't is met oranjepapier beplakt'.
In Zutphen had de triomf van de regenten tot gevolg dat de meest fanatieke aanhangers van de patriotten òf wegvluchtten òf werden verbannen [restauratie van 1787 ]. In de meeste gevallen volgde het een uit het ander. Sommigen werden één jaar verbannen, anderen tien jaar met verlies van burgerschap, weer anderen levenslang. De algemene aanklacht was 'dienstgenomen bij de auxiliairen' ofwel de patriotse vrijkorpsen.

Pas in februari 1795 met de komst van de Fransen kreeg de Revolutie een nieuwe kans. De omwenteling in de stad verliep weliswaar zonder bloedvergieten, maar had verstrekkende gevolgen. Het zittende stadsbestuur en de meeste aan hen verbonden functionarissen in de stad werden gedwongen af te treden. Het nieuwe stadsbestuur dat zich Municipaliteit ging noemen, probeerde in deze chaotische tijd orde op zaken te stellen. Had men eerst nog de gedachte dat men zelf de eigen toekomst zou kunnen blijven bepalen, al spoedig bleek dat de politieke zeggenschap bij anderen lag: de Franse bezetter, de Nationale Vergadering 1796-1798 , de raadpensionaris Schimmelpenninck, koning Lodewijk Napoleon, het"Konijn van Holland".
In feite was aan zeshonderd jaar onafhankelijkheid een einde gekomen. De glorietijd van de stad was definitief voorbij. In de vroege negentiende eeuw verzuchtten de burgers: "Zutphen is Zutphen niet meer...". Maar hoe ingrijpend voor velen de overgang van stadstaat naar provinciestad ook was, in het politieke bestel van de negentiende eeuw behielden de steden een aparte status. Het oude "Republikeinse"onderscheid tussen stad en platteland werd na 1815 hersteld. In de stedelijke reglementen werd het hoogste gezag toegekend aan het college van burgemeesters en niet aan de volksvertegenwoordiging, de gemeenteraad. Van 1816 tot de invoering van de gemeentewet van 1851 was het bestuur van de stad Zutphen geregeld volgens de stedelijke reglementen van 1815 en 1824. Zutphen kreeg een college van drie burgemeesters en twaalf raadsleden. Veel ruimte voor uitvoering van eigen politieke ideeën was er niet. In deze periode werden in het Koninkrijk der Nederlanden de beslissingen genomen in Den Haag[centraal bestuur ].

CULTUUR IN ZUTPHEN

Inleiding
Voor Zutphen, gelegen in het oosten van ons land, ver verwijderd van de grote stedelijke centra, waren de mogelijkheden om deel te nemen aan het culturele leven beperkt. Nu en dan werd er een feest gegevenin de stad ter gelegenheid van een belangrijke gebeurtenis. Soms vond er in de St. Walburgiskerk een muziekuitvoering plaats. Voor de rijke patriciërs bestond er de mogelijkheid elkaar te ontmoeten op de talrijke bals die werden gegeven op de landhuizen rondom Zutphen of in de grote woonhuizen in de stad. In de loop van de achttiende eeuw veranderde het culturele klimaat. De nieuwe Verlichtingsideeën vonden ook in de Republiek enthousiaste aanhangers.
In sociëteiten, salons, koffiehuizen, in verenigingen en genootschappen (zogenaamde maatschappijen), in diligences en trekschuiten, overal werden de nieuwe ideeën besproken. Ook de laatste ontwikkelingen van de wetenschap werden door de burgers bijgehouden. In genootschappen werkten deskundigen en leken samen, zowel bij de bestudering van bepaalde wetenschappelijke vakgebieden als bij de verbreiding van de gevonden kennis. Door het uitschrijven van prijsvragen, het organiseren van gemeenschappelijk onderzoek, het houden van lezingen en het uitgeven van verhandelingen, werd een steeds groter groep geïnteresseerde leken bereikt van wie verscheidenen een verdienstelijke bijdrage tot de ontwikkeling van wetenschap of techniek geleverd hebben.
In Zutphen was het vooral dominee Johannes Florentius Martinet die als exponent geldt voor deze ontwikkelingen. Hij was het die in 1777 het initiatief nam tot oprichting van de afdeling Zutphen van de Oeconomische Tak van de Hollandse Maatschappij van Wetenschappen. Naast dit genootschap zouden er tot 1832 nog zeven volgen, waaronder het natuurkundig genootschap Nut is ons doel en het geheime Kantiaanse genootschap Omnibus. Deze genootschappen boden de burgers van de stad de mogelijkheid op voet van gelijkheid met elkaar te discussiëren over allerlei onderwerpen. Deze culturele emancipatie droeg in belangrijke mate bij aan de strijd voor politieke emancipatie, en was daarmee een van de bouwstenen voor de revolutionaire jaren tussen 1782 en 1813.
Gedurende het eerste kwart van de negentiende eeuw ondervond het intellectuele leven de steeds toenemende invloed van de Romantiek. Meer en meer komt de geschiedenis zélf in het middelpunt vande belangstelling te staan. Vooral schrijvers als Bilderdijk, Tollens en Helmers genoten grote populariteit bij de Zutphense genootschapsleden.