centraal bestuur:
vóór de Bataafse tijd was het bestuur versnipperd over talloze
zelfstandige, autonome bestuurlijke instellingen, waarvan de steden en de gewesten
niet de enige, maar wel de belangrijkste waren. Vanaf 1798 werd het hele land
vanuit Den Haag bestuurd en was het aan steden en gewesten verboden zelfstandig
wetten uit te vaardigen. Met de komst van de Fransen deden bureaucratische principes
hun intrede en werden de voorheen autonome bestuurders feitelijk ambtenaren
die opdrachten uitvoerden.
Eerste Zutphense grondwet, 1795
Franse assignaten
Provisionele Representanten van het Volk van Overijssel
eerste Nederlandse grondwet van 1798:
na twee staatsgrepen van Herman Willem Daendels kwam in 1798 de eerste Nederlandse
grondwet tot stand in unitaristische geest: het land werd verdeeld in acht departementen,
elk departement in zeven ringen, elke ring in gemeenten: ingesteld werd een
censuskiesrecht; voor de verkiezingen werd de Republiek verdeeld in grondvergaderingen
en districten.
Inleiding Bataafs-Franse tijd 1795-1813)
Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872)
exercitiegenootschap:
een militaire organisatie of vrijkorps, los van de bestaande burgermilitie of
schutterij. Ze werden in de achttiende eeuw opgericht op initiatief van de patriotten.
Het doel was bewapening van burgers zodat zij zich zouden kunnen verzetten tegen
het Oranjegezinde leger en tegen de schutterijen. Het denkbeeld werd uitgewerkt
door Joan Derk van der Capellen tot den Pol. De exercitiegenootschappen verenigden
zich tot een landelijke bond, met Utrecht als centrum. Hoewel zij in militair
opzicht niet veel betekenden, waren zij in politiek opzicht belangrijk, omdat
zij de politieke discussie stimuleerden en het gevoel van nationale eenheid
versterkten. De Pruisische interventie van 1787 betekende het einde van de exercitiegenootschappen.
Marsen door Jan Louis van Laar Mahuet, 1786
Zutphen, Inleiding Politiek
Rekest van de burgerij aan de magistraat van Zutphen, 1783
vrijkorpsen
federalisten:
politieke groep die na de omwenteling van 1795 aanstuurde op behoud van de gewestelijke
soevereiniteit, waarbij het bondsbestuur alleen enkele algemene belangen zou
behartigen. De federalisten kwamen vooral uit oostelijk Nederland. Tegenover
deze federalisten stonden de unitaristen die van Nederland een ondeelbare staat
wensten te maken. In 1798 wonnen de unitaristen.
Nationale Vergadering 1796-1798
gelijkheid, vrijheid en broederschap:
Met deze drievoudige leus trok de Franse revolutie Europa in. Het was een beknopte
samenvatting van de rechten van mens en vormde de nieuwe grondslagen waarmee
men de samenleving nieuw wilde inrichten. Slechts korte tijd, tussen 1795 en
1800, nam men de trits serieus, want al spoedig keerde men naar conservatievere
uitgangspunten terug.
kerkbanken en standenstaat
kranten en pamfletten
Zwolsche Courant
genootschappen:
De tijd tussen 1750 en 1830 kan wel de tijd van de genootschappen genoemd worden.
Op elk terrein, wetenschappelijk of cultureel was er wel een genootschap. Men
was er in die tijd diep van doordrongen dat de mens alleen nuttig kon zijn als
hij zijn ervaring met anderen deelde. En dan maakte het (tot op zekere hoogte)
niet uit tot welke sociale klasse de medegenootschappers behoorden. Het doel
was elkaar wederzijds op te voeden tot betere mensen om zo gelukkiger te worden.
Jan ter Pelkwijk (1796-1834)
Sociëteit De Harmonie
Muziekcollegie
"De struik wordt eindelijk een boom"
kranten en pamfletten:
Al eeuwenlang bestond er in de Verenigde Republiek de mogelijkheid door middel
van pamfletten of blauwboekjes deel te nemen aan het publieke debat. Ook in
de patriottentijd werd er ruim van dit middel gebruik gemaakt. Nieuw was dat
er in die tijd periodieke tijdschriften, voornamelijk weekbladen, verschenen
die een geïnteresseerd publiek op de hoogte hielden. De belangstelling
was zo groot dat het zelfs mogelijk was ook in kleine steden eigen bladen uit
te geven.
De Volks-Vriend
gelijkheid, vrijheid en broederschap
Marsen door Van Laar Mahuet, 1786
August Robert van Heeckeren tot Suideras (1743-1811) in
Zutphensche Courant
H.C.A. Thieme (1770-1826)
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen:
Deze maatschappij werd in 1784 opgericht en was wel het meest succesvolle genootschap
dat overal in Nederland afdelingen had. Men probeerde vooral door onderwijs,
bibliotheken en scholen 'het volk' te ontwikkelen tot betere mensen. Christelijk
paternalisme was wel de ideologische grondslag, want het was niet de bedoeling
dat de leden van de lagere standen sociaal zouden stijgen. Maatschappelijke
gelijkheid was geen Nuts-ideaal.
Rhijnvis Feith (1753-1824)
meente:
In de grote oostelijke steden van de Verenigde Republiek kende men de meente.
Dit college was samengesteld uit burgers. In gezamenlijke vergadering met de
magistraat behoorde de meente tot de wetgevende macht. Daarnaast had ze vergaande
bevoegdheden in het opleggen van belastingen, stedelijk eigendom en het sluiten
van oorlog en vrede. Bovendien kozen de meentelieden de magistraten. Al kozen
de meenteleden zelf hun nieuwe leden, het was een belangrijk college waar de
burgers hun stem konden laten horen en waar de burgers in de Hollandse steden
met enige jaloezie naar keek. Veel patriotse inkt werd er in de IJsselsteden
besteed over de vraag of de meenteleden rechtstreeks door het volk gekozen diende
te worden.
Nationale Vergadering:
vaak de benaming van de eerste volksvertegenwoordiging in een staat. Zo kwam
in Nederland tijdens de Bataafse Republiek op 1 maart 1796 en 1 september 1797
de Nationale Vergadering bijeen, die de plaats innam van de Staten-Generaal
uit de oude Republiek. Van 1795 tot 1798 twistten in deze Nationale Vergadering
de Unitarissen (voorstanders van centralisatie) en de Federalisten (aanhangers
van de provinciale vrijheid) over de te ontwerpen grondwet.
Jacob Abraham de Mist (1749-1823)
Herman Willem Daendels
Oeconomische Tak van de Maatschappij van Wetenschappen:
Aan het eind van de achttiende eeuw meende men in een tijd van economisch verval
te leven. Met het doel de economie te stimuleren was de Tak opgericht. Door
het beproefde middel van prijsvragen wilde men ideeën tot verbetering aandragen.
Ook propageerde men het kopen van Nederlandse waren, er werden speciale winkels
voor ingericht.
Rhijnvis Feith (1753-1824)
Johannes Florentius Martinet
afdeling Zutphen
orangisten:
Dit waren de aanhangers van stadhouder Willem V tegen de democratische patriotten.
De meeste orangisten hadden hun positie te danken aan de stadhouder. Het persoonlijk
belang in hun keus is dus niet te onderschatten. Maar onder hen waren er ook
die het stadhouderschap zagen als de persoon die de enige instelling die de
eenheid binnen de Verenigde Republiek bevorderde. De orangisten kregen hun zin
want de huldiging van Koning Willem I was de vervulling van die wens.
Abraham Vestrinck (1717-1793)
August Robert van Heeckeren tot Suideras (1743-1811)
patriotten:
De patriotten in de IJsselsteden verzetten zich vooral tegen de grote macht
van de stadhouder op het stedelijk bestuur. Willem V kon namelijk door de in
1747 ingevoerde regeringsreglementen alle kandidaten die door de meente waren
gekozen goed- of afkeuren. Men vond dat in strijd met het oude, maar nog steeds
geldende stadsrecht.
Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784)
Robert Jasper van der Capellen tot den Marsch (1743-1814)
Herman Willem Daendels (1762-1818)
Rhijnvis Feith (1753-1824)
Sentimentalisme: Derk Jan van der Laan (1759-1829)
Berend Wildrik (1754-1831)
De Volks-Vriend
August van Heeckeren tot Suideras (1743-1811): Zutphensche
Courant
rekesten:
het indienen van een rekest, een verzoekschrift, was een beproefd en oud middel
om wensen aan het stedelijk bestuur kenbaar te maken. Particulieren en gilden
volgden al eeuwenlang die weg. In de patriottentijd werd dit middel met een
ongekende intensiviteit en inventiviteit gebruikt. Stad en land werden afgelopen
om de mensen tot steunbetuiging over te halen. Vaak ondertekenden inderdaad
vele duizenden mensen een rekest om op de overheid druk uit te oefenen.
Adres aan de Gezworen Gemeente Kampen, 1781
Rekest van de burgerij aan de magistraat van Zutphen, 1783
restauratie van 1787:
met de Pruissische inval in september 1787 moesten de patriotten het veld ruimen.
Overal werden de door de patriotten aan de kant geschoven orangisten in de besturen
geplaatst. De belangrijkste patriotten werden vervolgd en omdat te voorkomen
namen velen de wijk naar Frankrijk, vooral naar Sint-Omaars.
Willem V
De Volks-Vriend
Hendrik Willem Daendels
Berend Wildrik
sociëteiten:
dit waren gezelschappen die in één bepaald lokaal, na afspraken
met de logementhouder over de prijs van de drankjes en de stookkosten, bijeenkwamen.
Doel was ontspanning. Er werd gelezen en gedronken, men legde een kaartje en
speelde een partijtje biljart. In de patriottentijd werd er ook aan politiek
gedaan. Hierdoor ontstonden gescheiden sociëteiten voor patriotten en orangisten.
In de Bataafse tijd verdween met de nagestreefde verzoening tussen de partijen
op veel plaatsen die tegenstelling.
Sociëteit De Harmonie
unitarissen:
de partij die in Nederland in de Bataafse Republiek (1795-1806) de één-
en ondeelbare republiek, de samensmelting van de gewestelijke schulden, scheiding
van kerk en staat en gelijkheid voor de wet van alle burgers voorstond. In 1798
kwamen de unitarissen, na twee staatsgrepen aan de macht.
Herman Willem Daendels
Willem I (1772-1843):
De eerste koning van Nederland (1814-1840) en België (1815-1839). Hij bestuurde
als een verlicht despoot zonder ook maar een enkel spoor van volksinvloed. De
Overijsselse patriotten hadden zich tussen 1780 en 1787 juist tegen een te grote
macht van de stadhouder gekeerd. Nadat het koningschap in 1814 werd ingevoerd,
hadden de Oranjes echter meer macht dan ooit. Desondanks werd hij door heel
wat voormalige patriotten vereerd als een vaderfiguur. Maar in de jaren dertig
kwam daar verandering in en nam de roep om een liberaler bewind toe.
Rhijnvis Feith (1753-1824)
Een woord in het belang van Europa, 1830
Jacob Abraham de Mist (1749-1823)
Bezetting door Russische Kozakken, 30 november 1813
grondwet van 1814
Herman Willem Daendels (1762-1818)
Willem V (1748-1806):
De laatste stadhouder van de Verenigde Republiek. Zijn wijze van ambtsbegeving
waarbij iedereen afhankelijk van hem was, stuitte op veel verzet. Geen ander
wist zo de weg in de ingewikkelde staatsinrichting van de Verenigde Republiek
als hij. Zijn kennis gebruikte hij om zijn invloed te handhaven, iedere voorgestelde
verandering kon deze conservatieve man alleen maar zien als een aanslag op zijn
gezag.
Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784)
Politiek in Zutphen: Robert Jasper van der
Capellen tot den Marsch (1743- 1814)
August Robert van Heeckeren tot Suideras (1743-1811)
restauratie van 1787